Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:3727

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 september 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
16.217639.20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na diefstal met valse sleutel

Op 19 september 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor diefstal waarbij hij zich toegang verschaft had met valse sleutels. De ontnemingsvordering van de officier van justitie betrof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, oorspronkelijk gesteld op €59.418,07, maar ter zitting verlaagd naar €58.121,07.

De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de strafzaak waarin was vastgesteld dat veroordeelde in de periode van november 2018 tot mei 2019 een totaalbedrag van €58.121,07 had gestolen. Dit bedrag bestond uit €26.511,07 aan overboekingen zonder toestemming en €31.610 aan gepinde bedragen van rekeningen van de benadeelde partij. Veroordeelde gaf toe het geld te hebben gebruikt voor gokken, wat het profijt van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevestigt.

De rechtbank concludeerde dat veroordeelde het gehele bedrag heeft geprofiteerd en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om het bedrag te matigen. Daarom werd veroordeelde verplicht tot betaling van €58.121,07 aan de Staat. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen conform het Wetboek van Strafvordering.

Deze uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en bevestigt het belang van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als maatregel na strafrechtelijke veroordeling.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €58.121,07 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.217639.20 (ontneming)
Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 september 2022 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 september 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.A. Nieli en van hetgeen veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. N.J. Hos, advocaat te Amersfoort naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 9 mei 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting
tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 59.418,07.
Ter terechtzitting van 5 september 2022 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verlaagd en kan worden toegewezen tot een bedrag van € 58.121,07. Dit betreft het totaal van de bedragen die veroordeelde volgens de officier van justitie wederrechtelijk zou hebben weggenomen.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het ontnemingsbedrag te verlagen. Verdachte heeft bekend het bedrag van € 26.511,07 wederrechtelijk weggenomen te hebben door middel van het doen van overboekingen. Het overige aan hem toe te schrijven weggenomen geldbedrag van € 31.610 dat verdachte zou hebben gepind van rekeningen van de heer [slachtoffer] moet worden verlaagd. De veroordeelde is van mening dat hij niet dit gehele bedrag heeft weggenomen. De raadsvrouw heeft bepleit een bedrag toe te wijzen tot maximaal € 34.000,-

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 19 september 2022 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het strafbare feit:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel valse sleutels, meermalen gepleegd,
in de periode van 29 november 2018 tot en met 25 mei 2019.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Sr.)
3.2
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het vonnis van de rechtbank van 19 september 2022 in de strafzaak tegen veroordeelde. [1]
De rechtbank overweegt dat uit het veroordelend vonnis blijkt dat veroordeelde een bedrag van in totaal € 58.121,07 heeft gestolen door middel van een valse sleutel. Dit is onder feit 1 primair bewezen verklaard. Veroordeelde heeft een geldbedrag van € 26.511,07 gestolen door zonder toestemming van de rechthebbende overboekingen te doen van de rekening van benadeelde partij naar zijn eigen rekening en naar de rekening van een vriend van hem, genaamd [A] . Ook heeft hij een geldbedrag van € 31.610 gepind van rekeningen van de benadeelde partij zonder diens toestemming. Veroordeelde heeft verklaard dat hij het wederrechtelijk weggenomen geldbedrag voor zichzelf heeft gehouden en daarmee is gaan gokken. Dit maakt dat veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank heeft geprofiteerd van het wederrechtelijk verkregen bedrag.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 58.121,07.
Uit de stukken in het procesdossier is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt die van voormeld bedrag moeten worden afgetrokken.
3.3
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde is de enige persoon die van de diefstal heeft geprofiteerd. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan veroordeelde toerekenen.
3.4
Betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal verdachte dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 58.121,07 aan de staat.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
-
stelthet bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat
vast op € 58.121,07.
-
legtde veroordeelde de verplichting
optot betaling van
€ 58.121,07aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. P.C. Quak, en mr. M.E. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2022.

Voetnoten

1.Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 september 2022, in de strafzaak met parketnummer 16.217639.20.