Op 19 september 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor diefstal waarbij hij zich toegang verschaft had met valse sleutels. De ontnemingsvordering van de officier van justitie betrof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, oorspronkelijk gesteld op €59.418,07, maar ter zitting verlaagd naar €58.121,07.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de strafzaak waarin was vastgesteld dat veroordeelde in de periode van november 2018 tot mei 2019 een totaalbedrag van €58.121,07 had gestolen. Dit bedrag bestond uit €26.511,07 aan overboekingen zonder toestemming en €31.610 aan gepinde bedragen van rekeningen van de benadeelde partij. Veroordeelde gaf toe het geld te hebben gebruikt voor gokken, wat het profijt van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevestigt.
De rechtbank concludeerde dat veroordeelde het gehele bedrag heeft geprofiteerd en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om het bedrag te matigen. Daarom werd veroordeelde verplicht tot betaling van €58.121,07 aan de Staat. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen conform het Wetboek van Strafvordering.
Deze uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en bevestigt het belang van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als maatregel na strafrechtelijke veroordeling.