ECLI:NL:RBMNE:2022:3792
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met toepassing taxatiematrix en KOUDV-factoren
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een benedenwoning uit 1906 centraal, gelegen aan een adres in een Nederlandse gemeente. De waarde is vastgesteld op €461.000 per 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €405.000 voor. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare woningen zijn opgenomen, rekening houdend met gebruiksoppervlakte, onderhoudstoestand en voorzieningen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix toont een zorgvuldige vergelijking met referentiewoningen, waarbij ook correcties voor VvE-reserves en KOUDV-factoren zijn toegepast. De door eiser aangevoerde gebreken in onderhoud en voorzieningen zijn onvoldoende onderbouwd om de waarde aan te passen.
Verder is de indexering van verkoopcijfers adequaat toegelicht en onderbouwd met grafische data. Hoewel eiser stelt dat verweerder niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd, concludeert de rechtbank dat deze klacht niet tijdig en adequaat is ingebracht tijdens de hoorzitting, waardoor deze beroepsgrond buiten beschouwing blijft.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €461.000 wordt ongegrond verklaard.