ECLI:NL:RBMNE:2022:38
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning met bedrijfsruimte
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning met bedrijfsruimte aan een locatie in een Nederlandse plaats, vastgesteld op €431.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €314.000. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix en een taxatierapport.
De rechtbank heeft het onderzoek verricht op basis van de stukken en een zitting via beeldverbinding. De rechtbank oordeelde dat verweerder de waarde aannemelijk heeft gemaakt door vergelijking met drie verkochte referentiewoningen met bedrijfsruimten van hetzelfde type. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte. De stelling van eiser dat de WOZ-waarde aanzienlijk hoger ligt dan voorgaande jaren en dat de waardering willekeurig is, werd verworpen omdat de WOZ-waarde jaarlijks op basis van actuele verkoopcijfers moet worden vastgesteld.
Verder faalde het beroep van eiser dat de waarde moest worden vastgesteld in lijn met naastgelegen panden, omdat deze niet identiek zijn en het gelijkheidsbeginsel alleen slaagt bij vergelijking met identieke woningen. Ook de stelling dat bedrijfsmakelaars geen vergelijkbare panden kennen, was onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank concludeerde dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.