ECLI:NL:RBMNE:2022:3854

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
UTR 22/159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZ
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing artikel 40 Wet WOZ

De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, vastgesteld op €379.000 voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €357.000 voor en betwistte de vastgestelde waarde bij bezwaar en beroep.

Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte. De rechtbank achtte deze methode en onderbouwing voldoende en aannemelijk.

Eiser voerde in beroep aan dat verweerder artikel 40 van Pro de Wet WOZ had geschonden door onvoldoende inzicht te geven in de KOUDVL-factoren en scores, maar de rechtbank verwierp dit omdat eiser dit niet tijdig en adequaat had aangevoerd tijdens de hoorzitting, waardoor dit in strijd met de goede procesorde werd geacht.

Verder stelde eiser dat de verkoopprijzen van enkele referentiewoningen een lagere waarde onderbouwden, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder vrij was meerdere verkopen te gebruiken en dat de waardebepaling niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €379.000 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats], verweerder
(gemachtigde: R. Janmaat).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 379.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 3 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift met taxatiematrix ingediend.
Het beroep is behandeld op de online zitting van 18 augustus 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van den Dool, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

Inleiding
1. De woning is een in 1999 gebouwde rijwoning met een berging van 8 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 113 m² en ligt op een kavel van 137 m².
2. In geschil is de WOZ-waarde van de woning. Eiser bepleit een waarde van € 357.000. Verweerder handhaaft in beroep de vastgestelde waarde.
Beoordelingskader
3. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2020) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De waarde in het economisch verkeer is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
4. Verweerder heeft de waarde bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode. Bij de vergelijkingsmethode wordt de WOZ-waarde vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet verweerder inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
5. Om de waarde te onderbouwen heeft verweerder een taxatiematrix opgesteld waarin de woning wordt vergeleken met de volgende vier in [woonplaats] gelegen woningen:
[adres 2] , verkocht op 29 november 2019 voor € 375.000;
[adres 3] , verkocht op 30 september 2019 voor € 357.500;
[adres 4] , verkocht op 19 december 2018 voor € 347.500;
[adres 5] , verkocht op 10 juli 2020 voor € 378.000.
Beoordeling van de zaak
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het verweerschrift, de taxatiematrix en de toelichting die daarop op de zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald aan de hand van een methode van vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type waarvan marktgegevens beschikbaar zijn die rondom de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer de gebruiks- en perceeloppervlakte. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen in voldoende mate inzichtelijk gemaakt.
7. Wat eiser in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Waarom dat zo is, legt zij hierna uit.
8. Eiser voert aan dat verweerder in strijd met artikel 40 van Pro de Wet WOZ heeft gehandeld omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe rekening is gehouden met de verschillen in de KOUDV-factoren en welke scores worden gehanteerd, terwijl hier in bezwaar wel om is gevraagd. Ook de doelmatigheids- en kwaliteitsfactor zijn bij de woning en de referentiewoningen niet aangeduid, terwijl daarom is verzocht.
9. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om verstrekking van de KOUDVL-factoren én de manier waarop de verschillen zijn verdisconteerd. Het is niet gebleken dat hij dit verzoek heeft herhaald op de hoorzitting. Het blijkt niet uit het verslag van de hoorzitting dat in de uitspraak op bezwaar is opgenomen en eiser heeft de juistheid van de weergave van het besprokene ook niet betwist. Als een belanghebbende vóór de hoorzitting in de bezwaarfase wijst op een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ en verweerder heeft daarop nog niet gereageerd, dan mag van de belanghebbende verwacht worden dat hij hier tijdens de hoorzitting opnieuw op wijst. Het doel van de hoorzitting is om argumenten naar voren te brengen en toe te lichten die nodig zijn voor de heroverweging van de WOZ-beschikking. Als een belanghebbende eerder wel, maar tijdens de hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij informatie mist door het niet toesturen van de gevraagde stukken, dan mag in beginsel worden aangenomen dat hij die stukken kennelijk niet (meer) nodig heeft. [1] De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat eiser in beroep alsnog heeft aangevoerd dat artikel 40 van Pro de Wet WOZ is geschonden. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing. Overigens heeft verweerder ook verklaard niet te werken met scores of vaste correctiepercentages. Het is ook niet gebleken dat verweerder in bezwaar doelmatigheids- of kwaliteitsniveaus hanteert. Reeds daarom zou de beroepsgrond van eiser niet kunnen slagen.
10. Eiser voert verder aan dat de verkoopcijfers van de referentiewoningen aan de [adres 6] , [adres 4] en de [adres 3] een lagere waarde onderbouwen.
11. De rechtbank volgt eiser in zoverre dat uit de taxatiematrix blijkt dat de referentiewoningen aan de [adres 3] en [adres 6] een lagere prijs per vierkante meter hebben (€ 2.407) in vergelijking met de waarde per m2 die aan eisers woning is toegekend (€ 2.468 p/m²). De referentiewoningen aan de [adres 4] en de [adres 2] hebben juist een hogere prijs per m2 (€ 2.629 en € 2.580 p/m²). De rechtbank stelt vast dat alle vier de referentiewoningen vergelijkbare KOUDVL-kwalificaties hebben. Eisers stelling biedt daarom geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de referentiewoningen [adres 3] en [adres 6] een lagere waarde onderbouwen. Daarbij is van belang dat verweerder vrij is om de waarde te onderbouwen met meerdere verkopen en daarbij ook de beste verkopen mag gebruiken. Gelet op het geheel aan voorliggende prijzen per vierkante meter van de referentiewoningen, kan daarom niet worden gezegd dat de waarde van eisers woning te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
.

Voetnoten

1.Vgl. overweging 14 van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890.