ECLI:NL:RBMNE:2022:3854
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing artikel 40 Wet WOZ
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, vastgesteld op €379.000 voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €357.000 voor en betwistte de vastgestelde waarde bij bezwaar en beroep.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde plaats, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte. De rechtbank achtte deze methode en onderbouwing voldoende en aannemelijk.
Eiser voerde in beroep aan dat verweerder artikel 40 van Pro de Wet WOZ had geschonden door onvoldoende inzicht te geven in de KOUDVL-factoren en scores, maar de rechtbank verwierp dit omdat eiser dit niet tijdig en adequaat had aangevoerd tijdens de hoorzitting, waardoor dit in strijd met de goede procesorde werd geacht.
Verder stelde eiser dat de verkoopprijzen van enkele referentiewoningen een lagere waarde onderbouwden, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder vrij was meerdere verkopen te gebruiken en dat de waardebepaling niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €379.000 wordt gehandhaafd.