Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- de aangifte van [aangever 5] , gemachtigd tot het doen van aangifte door [bedrijf 1] B.V.;
- de bevindingen met betrekking tot de weggenomen blikken Red Bull;
- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.BENADEELDE PARTIJEN
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en
- 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 15 maanden;
vijf maandenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
proeftijd van twee jarenvast;
- legt aan verdachte op de
- beveelt daartoe dat verdachte
- zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1986] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [adres] ;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door één week hechtenis met een maximum duur van zes maanden;
ontzegt verdachte ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 15.000,- voor materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer aan materiële schade gevorderde (€ 26.481,-) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft het gevorderde aan immateriële schade (€ 35.000,-) af;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 15.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 110 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- verklaart [bedrijf 1] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.