De officier van justitie verzocht bij de rechtbank Midden-Nederland om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), met het oog op het toepassen van verplichte zorg zoals medicatietoediening en beperkingen in de vrijheid. Betrokkene was het niet eens met het verzoek en gaf aan dat het beter met haar gaat, zij medicatie in beheer heeft en graag medicatie wil afbouwen in overleg met behandelaars. Tevens wenst zij een andere woonomgeving.
Tijdens de mondelinge behandeling werd betrokkene gehoord, evenals een verpleegkundig specialist en familieleden. De verpleegkundig specialist gaf aan dat betrokkene wisselend medicatie inneemt en in het weekend blowt, wat zorgelijk is, maar ook dat zij sterke behoefte heeft aan autonomie en goed contact onderhoudt met zorgverleners.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat de onafhankelijke psychiater in haar medische verklaring concludeert dat verplichte zorg niet proportioneel of noodzakelijk is en dat er twijfel bestaat over het ernstig nadeel. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was, maar dat het verzoek niet toewijsbaar was. De medische verklaring en het zorgplan waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd. Betrokkene vertoonde geen (dreigend) ernstig nadeel, was wilsbekwaam en meewerkend, waardoor zorg in een vrijwillig kader passend is.
De rechtbank wees het verzoek tot zorgmachtiging af en motiveerde dat het inzetten van gedwongen zorg niet proportioneel is gezien de omstandigheden en de openheid van betrokkene voor therapie en medicatiegebruik. Tegen deze beschikking staat cassatie open.