ECLI:NL:RBMNE:2022:3861
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woonboerderij en beroep ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een vrijstaande woonboerderij uit 1911 centraal, gelegen op een perceel van ruim 19.000 m2. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €700.000 per 1 januari 2020, terwijl eiser een lagere waarde van €652.000 vorderde.
De rechtbank heeft de door verweerder overgelegde taxatiematrix en toelichting beoordeeld, waarin de woning is vergeleken met drie referentiewoningen. Hierbij is rekening gehouden met gebruiksoppervlakte, perceelgrootte, staat van onderhoud en voorzieningen. De rechtbank acht de gehanteerde methode en onderbouwing voldoende en wijst de bezwaren van eiser af.
Eiser voerde onder meer aan dat onvoldoende rekening was gehouden met gedateerde voorzieningen en scheurvorming, dat de indexering van verkoopcijfers niet transparant was en dat verweerder niet alle gevraagde stukken had overgelegd. De rechtbank oordeelt dat deze gronden niet slagen omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat met deze aspecten voldoende rekening is gehouden en dat eiser niet gemotiveerd heeft betwist dat de waardeontwikkeling correct is toegepast.
Ook de bezwaren over de referentiewoningen en de gebruiksoppervlakten worden verworpen. Ten slotte wordt het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €700.000 wordt ongegrond verklaard.