ECLI:NL:RBMNE:2022:3863
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning Utrecht 2021
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht voor het belastingjaar 2021, vastgesteld op €222.000,- met waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder handhaaft deze waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen in Utrecht worden betrokken.
De rechtbank weegt de door verweerder overgelegde taxatiematrix en toelichting, waarin rekening is gehouden met gebruiksoppervlakte, perceelgrootte, staat van onderhoud en voorzieningen. Eiser voert onder meer aan dat de indexering van verkoopcijfers onvoldoende is onderbouwd en dat er sprake is van schending van artikel 40 Wet Pro WOZ vanwege het niet overleggen van gevraagde stukken. Verweerder heeft echter de gebruikte indexeringspercentages toegelicht en relevante gegevens per e-mail verstrekt.
Verder betwist eiser de kwalificatie van voorzieningen en onderhoud, maar de rechtbank oordeelt dat verschillen in kwalificaties niet leiden tot een lagere waarde. Ook een door eiser aangevoerde verkoop van een grotere woning met hogere prijs wordt door verweerder terecht als niet vergelijkbaar beoordeeld.
De rechtbank concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De klacht over schending van artikel 40 Wet Pro WOZ wordt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.