ECLI:NL:RBMNE:2022:391
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die is vastgesteld op €352.000 voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betoogt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van circa €300.000.
De gemeente heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde buurt, die recentelijk zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de gemeente met deze onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser heeft aangevoerd dat de referentiewoningen op hogere verdiepingen liggen en dat een woning aan een ander adres, verkocht voor €260.000, niet is meegenomen. De rechtbank acht deze bezwaren onvoldoende onderbouwd en volgt de uitleg van de gemeente dat de referentiewoningen passend zijn gekozen en dat de woning uit 2016 te ver van de waardepeildatum ligt.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de woningen waarnaar eiser verwijst huurwoningen betreffen en dus niet vergelijkbaar zijn met de koopwoning van eiser. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €352.000 wordt ongegrond verklaard.