Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift ingekomen op 29 april 2022;
- het verweerschrift van [verweeerster] .
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek van een besloten vennootschap ([verzoekster]) om verlenging van de ontruimingstermijn van een bedrijfsruimte die zij huurt van een andere besloten vennootschap ([verweeerster]). De huurovereenkomst was opgezegd en ontruiming aangezegd per 6 juni 2022. [Verzoekster] diende tijdig een verzoek in tot verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a lid 4 BW.
Tijdens de mondelinge behandeling werd toegelicht dat [verzoekster] investeringen in de bedrijfsruimte had gedaan en dat beëindiging van het gebruik de bedrijfsvoering en de werknemers zou schaden. [Verweeerster] stelde daartegenover dat sprake is van een huurachterstand van ten minste drie maanden en dat het vertrouwen in de huurder is verdwenen vanwege wanbetaling en onduidelijkheden over de bedrijfsvoering.
De kantonrechter oordeelde dat het belang van [verzoekster] onvoldoende was onderbouwd. Er was geen bewijs dat [verzoekster] de bedrijfsvoering van de voorganger had overgenomen, noch dat de investeringen daadwerkelijk waren gedaan. Ook was niet aannemelijk dat de coronamaatregelen de bedrijfsvoering hadden belemmerd. Daartegenover stond het gerechtvaardigde belang van [verweeerster] om een betrouwbare huurder te hebben die op tijd betaalt.
De kantonrechter wees het verzoek af en stelde de ontruiming vast op 1 november 2022, wat voldoende tijd geeft voor ontruiming. Tevens werd [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen en de ontruiming wordt vastgesteld op 1 november 2022.