ECLI:NL:RBMNE:2022:3942
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning ongegrond verklaard
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de door de gemeente Hilversum vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2021, met waardepeildatum 1 januari 2020. De woning betreft een twee-onder-een-kapwoning uit 1926 met een inhoud van 411 m3 en een kavel van 515 m2. De gemeente stelde de waarde vast op € 869.000,--, terwijl eiser een lagere waarde van € 743.000,-- bepleitte.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Dit blijkt uit een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De gemeente heeft inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen in kwaliteit, onderhoud en voorzieningen tussen de woningen.
Eiser voerde aan dat de voorzieningen van de woning gedateerd zijn en dat er sprake is van achterstallig schilderwerk, maar de rechtbank acht deze argumenten onvoldoende onderbouwd. Ook een nieuwe beroepsgrond over de vergelijkbaarheid van referentiewoningen wordt niet toegelaten omdat deze te laat is ingebracht. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.