ECLI:NL:RBMNE:2022:3949

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
3 oktober 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1591
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tegemoetkoming dubbele kinderbijslag

Eiseres kreeg aanvankelijk geen dubbele kinderbijslag voor haar zoon vanaf het tweede kwartaal van 2020. Na bezwaar verklaarde de Sociale Verzekeringsbank het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure kwam verweerder geheel aan eiseres tegemoet door een gewijzigd besluit te nemen, waarin dubbele kinderbijslag werd toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2020. Hierdoor trok eiseres haar beroep in met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de proceskosten van eiseres, gemaakt in verband met de behandeling van het beroep, moest vergoeden. De kosten werden vastgesteld op €1.518,- op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens werd verweerder verplicht het betaalde griffierecht van €49,- aan eiseres te vergoeden.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Verweerder stemde in met het verzoek tot proceskostenvergoeding. De rechtbank wees op de wettelijke grondslagen en stelde vast dat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan. De beslissing werd op 6 januari 2022 gepubliceerd.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.M. Mauritz),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2020 geen recht heeft op dubbele kinderbijslag voor haar zoon, [A] .
Bij besluit van 22 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021 via Skype. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst.
Op 2 november 2021 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen. Daarin is besloten dat het bezwaar tegen het primaire besluit ontvankelijk en gegrond is. Eiseres krijgt dubbele kinderbijslag voor [A] vanaf het 2e kwartaal van 2020. Het bestreden besluit heeft verweerder herroepen.
Naar aanleiding hiervan heeft eiseres het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in het verzoek om een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder geheel aan eiseres is tegemoetgekomen, dat eiseres om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat eiseres proceskosten heeft gemaakt.
4. De rechtbank ziet dan ook aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-met een wegingsfactor 1).
5. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518-;
- bepaalt dat verweerder de griffiekosten van eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 januari 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.