ECLI:NL:RBMNE:2022:4024
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van een tussenwoning in Utrecht bevestigd
Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn tussenwoning in Utrecht, vastgesteld op €331.000 per 1 januari 2019, en stelde een lagere waarde van €295.000 voor. De gemeente handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in de omgeving.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen lagen in dezelfde buurt, waren vergelijkbaar qua bouwjaar, inhoud en uitstraling, en waren recent verkocht nabij de waardepeildatum. De verschillen tussen de woning en referentiewoningen waren adequaat in de taxatiematrix verwerkt.
Eiser voerde aan dat de ligging van een referentiewoning gunstiger was en dat er geen rekening was gehouden met gedateerde voorzieningen in zijn woning. De rechtbank volgde de toelichting van de gemeente dat de ligging van de referentiewoning minder gunstig was en dat het voorzieningenniveau van de woning van eiser niet onderbouwd was met bewijs.
De rechtbank verwierp de beroepsgronden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €331.000 wordt ongegrond verklaard.