ECLI:NL:RBMNE:2022:4101

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
10 oktober 2022
Zaaknummer
22/1574
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na intrekking bezwaar

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 25 februari 2022, waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.

Eiser betwistte de niet-ontvankelijkheid en stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend. Verweerder heeft echter in een verweerschrift van 4 mei 2022 erkend dat de niet-ontvankelijkheid ten onrechte was vastgesteld en heeft het besluit op bezwaar van 25 februari 2022 ingetrokken. Verweerder zal het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2022 inhoudelijk behandelen.

De rechtbank constateert dat verweerder hiermee aan eiser is tegemoetgekomen, waardoor het beroep geen procesbelang meer heeft en derhalve niet-ontvankelijk is. De rechtbank wijst erop dat dit oordeel geen inhoudelijke beslissing over de zaak inhoudt. Tevens bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €50,- moet vergoeden, conform artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van het bezwaar door verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1574

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Regragui).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van
25 februari 2022.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar.
3. Verweerder geeft in de beslissing op bezwaar van 25 februari 2022 aan dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat eiser het bezwaar te laat heeft ingediend. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat het wel degelijk tijdig is ingediend.
4. In zijn verweerschrift van 4 mei 2022 stelt verweerder dat bij nadere bestudering van het dossier is gebleken dat bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2022 ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder trekt de beslissing op bezwaar van
25 februari 2022 dan ook in en zal het bezwaar tegen de beslissing van 31 maart 2022 inhoudelijk in behandeling nemen.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslissing op bezwaar van 25 februari 2022 heeft ingetrokken en in zoverre aan eiser is tegemoetgekomen. Nu is tegemoet gekomen aan het beroep zal het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Awb). Dit betekent niet meteen dat eiser inhoudelijk ook geen gelijk krijgt. Verweerder moet daarover nog beslissen.
7. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door eiser betaalde griffierecht van €50,- aan hem dient te vergoeden. Verder zijn er geen kosten die vergoedt dienen te worden.

Beslissing

De rechtbank;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van €50,- dat eiser heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.