Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,
[derde belanghebbende], te [woonplaats] , de werkneemster,
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd bepaald dat de werkneemster geen recht heeft op een vervroegde WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 16 september 2020.
De rechtbank heeft het medisch en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat de verzekeringsartsen van het UWV hun oordeel op zorgvuldige wijze hebben gevormd, mede gebaseerd op rapporten van behandelend artsen en een advies van een onafhankelijke verzekeringsarts van ICARA. De beperkingen van de werkneemster betreffen met name het korte termijn geheugen, maar zij is in staat eenvoudige, gestructureerde werkzaamheden te verrichten.
De stelling van eiseres dat de werkneemster zonder intensieve begeleiding niet kan functioneren, kon niet worden onderbouwd met medische rapporten. De rechtbank achtte de medische beoordeling en de daarop gebaseerde arbeidskundige beoordeling juist en voldoende onderbouwd.
Hoewel de werkneemster een progressieve aandoening heeft en haar situatie verslechtert, was er op de peildatum geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard omdat de werkneemster op de peildatum niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.