ECLI:NL:RBMNE:2022:4167

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
19 oktober 2022
Zaaknummer
9952051 MT VERZ 22-3245 MC
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:194a lid 1 BWArt. 4:194a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek ontheffing erfgenamen tot betaling nalatenschapsschuld

Op 18 oktober 2022 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin twee erfgenamen een verzoek indienden op grond van artikel 4:194a lid 2 BW. De erfgenamen waren zuiver aanvaarders van de nalatenschap van hun overleden familielid, die op 25 maart 2022 voor het eerst werden geïnformeerd over een schuld van de nalatenschap aan een onderneming.

De erfgenamen vroegen ontheffing van de verplichting om deze schuld uit hun eigen vermogen te voldoen, omdat de schuld hoger was dan het saldo van de nalatenschap en zij geen aanwijzingen hadden dat deze schuld bestond. De kantonrechter oordeelde dat de erfgenamen niet konden weten van de schuld, mede omdat de overledene zijn administratie zorgvuldig had achtergelaten en er geen aanwijzingen waren voor de schuld. Ook was er geen gedraging van de erfgenamen die vertrouwen wekte dat zij de schuld uit eigen middelen zouden betalen.

Daarom werd het verzoek tot ontheffing toegewezen. Het subsidiaire verzoek om beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap werd niet behandeld omdat het primaire verzoek werd gehonoreerd. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot ontheffing van betaling van de nalatenschapsschuld uit eigen vermogen wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 9952051 MT VERZ 22-3245 MC
Beschikking op een verzoek op grond van art. 4:194a lid 2 BW d.d. 18 oktober 2022
Inzake het verzoek van:
[verzoekster 1] ,
wonende te [adres 1] ,
[postcode 1] [woonplaats 1] ,
en:
[verzoekster 2] ,
wonende te [adres 2] ,
[postcode 2] [woonplaats 2] ,
wiens beider gemachtigde is: mr. E.A. Slappendel, advocaat,
verder gezamenlijk te noemen: verzoeksters.
Verzoeksters hebben het verzoek gedaan in hun hoedanigheid van erfgenamen in de nalatenschap van:
[A] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, overleden te [plaats] op [overlijdensdatum] 2021, laatst gewoond hebbende te [plaats] , verder te noemen: erflater.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[onderneming] B.V.,
correspondentieadres: [.] ,
[postcode 3] [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [onderneming] .

1.De procedure

1.1.
Op 21 juni 2022 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift.
1.2.
Bij brief van 13 juli 2022 zijn partijen opgeroepen voor de zitting van 29 september 2022. In deze brief is [onderneming] tevens in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen.
1.3.
Bij brief van 28 september 2022 heeft [onderneming] laten weten dat er geen verweer of verzet zal worden aangetekend.
1.4.
Op 29 september 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:
  • [verzoekster 1] ;
  • [verzoekster 2] .
Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2021 is overleden de heer [A] .
2.2.
Erflater heeft bij testament, verleden op 11oktober 2018, over zijn nalatenschap beschikt. Erflater is in zijn testament niet afgeweken van het wettelijk versterfrecht, zodat verzoeksters de enige erfgenamen van erflater zijn.
2.3.
Verzoeksters hebben de nalatenschap beiden zuiver aanvaard.

3.De overwegingen van de kantonrechter

3.1.
Het verzoek strekt primair tot ontheffing van de verplichting van verzoeksters om de schuld uit hoofde van de vordering van [onderneming] op grond van artikel 4:194a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover deze vordering in rechte komt vast te staan, uit hun eigen vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen zij krachtens erfrecht uit de nalatenschap van erflater hebben verkregen, kan worden voldaan. Subsidiair wordt verzocht om verzoeksters op grond van artikel 4:194a lid 1 BW te machtigen om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden, voor zover ervanuit moet worden gegaan dat de nalatenschap nog niet is vereffend of verdeeld.
3.2.
Op grond van artikel 4:194a lid 2 BW kan de kantonrechter deze ontheffing verlenen wanneer een erfgenaam na vereffening of verdeling van de nalatenschap bekend wordt met een schuld van de nalatenschap die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, tenzij de erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam de schuld uit zijn overige vermogen voldoet.
3.3.
Een verzoek hiertoe moeten worden ingediend binnen drie maanden nadat de erfgenaam met de schuld bekend is geworden. Verzoeksters werden eerst op 25 maart 2022, vijf maanden na het overlijden van erflater, door een brief van [onderneming] op de hoogte gesteld van de vordering. Aangezien verzoeksters het verzoek binnen drie maanden na deze ontdekking hebben ingediend, zijn zij ontvankelijk in hun verzoek.
3.4.
De door [onderneming] gestelde vordering is hoger dan het saldo van de nalatenschap, zodat voor betaling van de schuld het eigen vermogen van verzoekster zou moeten worden aangewend.
3.5.
Verzoeksters voeren aan dat de schuld voor hen volstrekt onverwacht is. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard omdat erflater hen heeft verteld dat er geen schulden waren. Erflater wist dat hij zou komen te overlijden. Erflater heeft in voorbereiding daarop zijn administratie zorgvuldig voor verzoeksters klaargezet, zijn lopende abonnementen opgezegd, een week voor zijn overlijden zelf de kosten van zijn uitvaart voldaan en zelf een handboek voor de afwikkeling van de nalatenschap geschreven. In de administratie en de toelichting daarop van erflater is - ook achteraf gezien - geen aanwijzing te vinden voor het bestaan van een schuld aan [onderneming] . Verder geven verzoeksters aan dat zij de nalatenschap inmiddels geheel hebben afgewikkeld en dus ook alle hen bekende schulden hebben betaald.
3.7.
De kantonrechter overweegt dat uit de stukken en de toelichting ter zitting is gebleken dat erflater zijn administratie zeer geordend heeft achtergelaten, en dat uit de administratie geen schuld aan [onderneming] is gebleken. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat verzoeksters niet hebben kunnen weten dat erflater mogelijk nog een schuld zou hebben. Ook is niet gebleken van een gedraging door verzoeksters waaruit [onderneming] had mogen opmaken dat zij de schuld uit hun eigen vermogen zouden voldoen. Meer nog, verzoeksters hebben aan [onderneming] laten weten de vordering niet te erkennen. De kantonrechter zal daarom het primair verzochte toewijzen.
3.8.
Nu het primair verzochte zal worden toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiair verzochte niet toegekomen.
De beslissing
De kantonrechter wijst het verzoek toe.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Crouwel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..