ECLI:NL:RBMNE:2022:423
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen herziening en terugvordering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsverleden
Eiser vroeg op 17 maart 2020 een WW-uitkering aan. Het UWV kende hem aanvankelijk een voorschot toe en besloot later dat hij recht had op een WW-uitkering tot 15 juni 2020. Vervolgens werd de uitkering herzien en werd een bedrag van €5.618,52 teruggevorderd over de periode van 16 juni tot 30 september 2020. Eiser stelde dat hij recht had op een verlenging van de WW-uitkering tot zes maanden vanwege werkzaamheden in Frankrijk, België, Italië en Hongarije tussen 2015 en 2019.
De rechtbank oordeelde dat het UWV alleen navraag kon doen bij het Franse uitkeringsorgaan en op basis daarvan een uitkering van drie maanden toekende. Voor de andere landen ontbraken essentiële documenten, waardoor het UWV geen gegevens kon opvragen. Eiser leverde onvoldoende bewijs aan om zijn recht op een langere uitkering aan te tonen. De rechtbank stelde vast dat het beroep ontvankelijk was omdat eiser het bestreden besluit pas op 22 juli 2021 ontving.
De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de uitkering had herzien en het te veel betaalde bedrag terugvorderde. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.