ECLI:NL:RBMNE:2022:4241
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet-naleving opzegtermijn bij beëindiging dienstverband
Eiser was sinds april 2015 in dienst bij zijn werkgever als medewerker horeca. Eind september 2021 werd hem onverwachts medegedeeld dat het restaurant per direct zou sluiten en werd het dienstverband per 22 september 2021 beëindigd. Eiser vroeg per 1 oktober 2021 een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat de wettelijke opzegtermijn van twee maanden niet was gerespecteerd.
Eiser voerde aan dat hij door een problematische relatie met zijn werkgever geen andere keuze had dan akkoord te gaan met het ontslag, uit vrees voor faillissement en het niet uitbetalen van vakantiegeld en loon. De rechtbank oordeelde echter dat op grond van artikel 19 lid 3 van Pro de WW de werknemer geen recht op uitkering heeft zolang de wettelijke opzegtermijn niet is verstreken. Deze bepaling is dwingendrechtelijk, waardoor geen uitzonderingen mogelijk zijn.
De rechtbank stelde vast dat eiser de beëindiging schriftelijk heeft ondertekend en dat hij zich bewust had kunnen zijn van de opzegtermijn. Het UWV heeft de aanvraag terecht geweigerd. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de teleurstelling van eiser, moet zij toetsen aan de wet en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd wegens niet-naleving van de wettelijke opzegtermijn.