Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van de man, binnengekomen op 10 juli 2020;
- een nader verzoekschrift van de man, binnengekomen op 8 oktober 2020;
- het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 11 maart 2021;
- de brief van de vrouw van 12 maart 2021 met de laatste bladzijde van het verweerschrift, binnengekomen op 17 maart 2021.
2.Waar de procedure over gaat
- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
- te bepalen dat hij bij uitsluiting de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de voormalige echtelijke woning aan de [straat] in [woonplaats] en de inboedel daarvan met het bevel dat de vrouw die woning niet mag betreden;
- als voorwaardelijk incident: te bepalen dat de vrouw verplicht is om aan de man te doen toekomen de bescheiden als genoemd onder punt 39 van het nadere verzoekschrift op straffe van een dwangsom;
- te bepalen dat de vrouw aan de man een bijdrage in zijn levensonderhoud dient te voldoen van € 3.900,- per maand;
- te bepalen dat tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal worden overgegaan conform het door de man onder de punten 18 tot en met 37 van het nader verzoekschrift verzochte;
- de proceskosten te compenseren.
3.De beoordeling
- de man het gebruik van de voormalige echtelijke woning aan de [straat] te [woonplaats] en de inboedel tot uiterlijk zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mag voortzetten;
- de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw een vergoeding voor het gebruik van deze woning dient te betalen van € 2.150,- per maand.