Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:4286

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
UTR 22/4538
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij bezwaar tegen afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Almere werd afgewezen wegens onduidelijkheid over zijn financiële situatie. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek tijdens een online zitting en concludeerde dat er geen spoedeisend belang was. Verzoeker ontving financiële steun van derden, had inkomsten uit gokken en kon zijn huur betalen, waardoor geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie bestond.

Daarnaast was het besluit niet evident onrechtmatig; de gemeente had onvoldoende inzicht in de financiële situatie van verzoeker, onder meer vanwege ontbrekende informatie over gokaccounts. Verzoeker bood aan inzage te geven in deze accounts.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukte dat deze uitspraak geen hoger beroep of verzet toelaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4538
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (verweerder)

(gemachtigde: W.M. Haitjema-Oegema).

Inleiding

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
In het besluit van 10 september 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 september 2022. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 oktober 2022 op een online zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet daarom eerst kijken of er sprake is van spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
3. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In principe kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Als dat nodig is, kan daarbij ook de wettelijke rente worden vergoed. Pas als een onomkeerbare situatie dreigt of sprake is van acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.
4. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft aangevoerd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, maar dit blijkt niet uit de door hem ingediende stukken. Uit de bankafschriften blijkt dat verzoeker huurtoeslag ontvangt en dat hij op 22 augustus en op 20 september 2022 de huur heeft betaald. Verzoeker heeft dit op de zitting bevestigd en heeft verder verteld dat de huur voor de maand oktober 2022 betaald zal worden en dat zijn broer hem hierbij helpt. Er is niet gebleken dat sprake is van een huurschuld, waardoor verzoeker op korte termijn uit zijn huis wordt gezet. Ook blijkt uit de stukken niet dat verzoeker op korte termijn wordt afgesloten van gas, water of elektriciteit. Verder blijkt uit de bankafschriften van verzoeker dat hij middelen ontvangt van derden en dat hij inkomsten heeft uit gokactiviteiten. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat de middelen van derden leningen zijn en dat hij deze moet terugbetalen, maar op dit moment kan hij over deze middelen beschikken of heeft hij hierover kunnen beschikken. Verzoeker heeft verder op de zitting ook verteld dat zijn (ex-)vriendin hem financieel helpt als hij daarom vraagt. Gelet op al deze omstandigheden is niet gebleken dat verzoeker op dit moment in een zodanige financiële noodsituatie verkeert, dat hij niet meer in zijn basisbehoefte kan voorzien.
Evident onrechtmatig besluit
5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet klopt en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak.
6. Om in aanmerking te komen voor bijstand, moet verzoeker voldoen aan zijn inlichtingenplicht. Dat betekent onder meer dat verzoeker duidelijkheid moet geven over zijn financiële situatie. Dit is namelijk een essentieel gegeven om te bepalen of verzoeker in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. In het besluit van 10 september 2022 staat dat verweerder het recht op bijstand van verzoeker niet kan vaststellen omdat zijn financiële situatie onduidelijk is. Uit de bankafschriften van verzoeker is namelijk gebleken dat hij middelen ontvangt uit meerdere online gok accounts, maar verzoeker heeft niet van alle gokaccounts informatie ingeleverd. Verweerder weet dus niet of er nog tegoeden staan op de gokaccounts. Verder heeft verweerder op de zitting toegelicht dat onderzoek wordt gedaan naar de situatie van verzoeker en zijn (ex-)vriendin. Verweerder wil weten of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft verder op de zitting benadrukt dat uit de bankafschriften ook blijkt dat verzoeker geld ontvangt van derden.
7. De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van de bezwaargronden niet evident is dat het besluit van 10 september 2022 in bezwaar geen stand zal kunnen houden.
De voorzieningenrechter merkt in het kader van de lopende bezwaarprocedure wel op dat verzoeker op de zitting heeft aangeboden om aan verweerder inzage te geven in de gokaccounts. Hij heeft toegelicht, en zijn gemachtigde heeft dit bevestigd, dat het niet mogelijk is om pdf-bestanden te maken, maar heeft aangeboden om bij verweerder ter plaatse in te loggen op zijn accounts en op die manier inzage te geven. De voorzieningenrechter merkt op dat het bij deze stand van zaken op de weg van verweerder ligt om verzoeker uit te nodigen en hem zo in staat te stellen om inzage te geven in de online gokaccounts.

Belangenafweging

8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het besluit van 10 september 2022 ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2022 door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.