ECLI:NL:RBMNE:2022:4387
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in Utrecht per 1 januari 2020 centraal. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, had de waarde vastgesteld op € 413.000, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en beoordeelde of verweerder aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde buurt, die recent rond de waardepeildatum waren verkocht. De rechtbank achtte deze vergelijkingen en de gehanteerde correcties voldoende onderbouwd.
Eiser voerde verschillende beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over de correctie van KOUDV+L-factoren, het indexeringspercentage en de grondwaarde. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat verweerder niet verplicht was een getalsmatige uitwerking van KOUDV+L-factoren te geven, de referentiewoningen binnen drie maanden van de waardepeildatum waren verkocht waardoor indexering niet noodzakelijk was, en de grondstaffels tijdig aan de gemachtigde van eiser waren verstrekt.
De rechtbank concludeerde dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 25 augustus 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 413.000 wordt ongegrond verklaard.