ECLI:NL:RBMNE:2022:4405

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 november 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
UTR 22/4825
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:2.6 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek voorlopige voorziening wegens onbevoegdheid rechtbank

Verzoekster heeft op 19 augustus 2021 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat op 1 oktober 2021 door de voorzieningenrechter kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.

Op 4 oktober 2021 verzocht verzoekster om herziening van deze uitspraak. De rechtbank beoordeelt dit verzoek op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt voor onherroepelijke uitspraken onder specifieke voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van 1 oktober 2021 wel onherroepelijk is, maar niet valt onder de toepasselijke bepalingen voor herziening zoals bedoeld in afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 Awb Pro, omdat het een beslissing betreft op grond van artikel 8:84, tweede lid, onder b, Awb, in samenhang met artikel 8:83, derde lid, Awb.

Daarom is herziening van de uitspraak niet mogelijk en is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het herzieningsverzoek. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt afgewezen en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat de rechtbank onbevoegd is om de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te herzien.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4825
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 op het herzieningsverzoek van

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

Inleiding

Op 19 augustus 2021 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/3522.
Bij uitspraak van 1 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster geen griffierecht heeft betaald.
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om de uitspraak van 1 oktober 2022 te herzien.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder het herzieningsverzoek op een zitting te behandelen.
2. Op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:119 van Pro de Awb is herziening slechts mogelijk van onherroepelijke uitspraken zoals bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Awb, en uitspraken van de voorzieningenrechter zoals bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb.
4. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2021 waar het herzieningsverzoek op ziet, is weliswaar onherroepelijk maar valt niet onder afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 van Pro de Awb. De uitspraak is namelijk gedaan op grond van artikel 8:84, tweede lid, onder b, van de Awb, in samenhang met artikel 8:83, derde lid, van de Awb, nu daarin het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk nietontvankelijk is verklaard. Herziening van de uitspraak van 1 oktober 2021 is daarom niet mogelijk.
5. De rechtbank is dan ook onbevoegd om van het herzieningsverzoek van verzoekster kennis te nemen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.