Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3. Het geschil
bedragen(onderstreping kantonrechter) zijn bruto per jaar. Daarnaast ziet u de contante waarden.
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen waren van 1977 tot 2002 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn gescheiden. Tijdens het huwelijk bouwde de man pensioen op bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek. In het echtscheidingsconvenant spraken zij af dat het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen zou worden verevend volgens artikel 1:155 BW Pro en de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps).
Na het faillissement van de werkgever in 2017 ging de man op vroegpensioen vanaf 1 september 2017 en ontving vanaf oktober 2020 ouderdomspensioen. De vrouw vorderde betaling van haar deel van het vroegpensioen over de periode 1 september 2017 tot 1 oktober 2022, omdat het pensioenfonds het vereveningsdeel niet had ingehouden. De man betwistte dat het vroegpensioen tot het verevenbare ouderdomspensioen behoort.
De kantonrechter oordeelde dat het vroegpensioen wel degelijk een vorm van ouderdomspensioen is dat tijdens het huwelijk is opgebouwd en daarom moet worden verevend. Dit volgt uit de brief van het pensioenfonds waarin het vroegpensioen als onderdeel van het ouderdomspensioen wordt gepresenteerd met een contante waarde en verrekeningsmogelijkheden. De man kon niet aantonen dat het vroegpensioen een tijdelijke VPL-uitkering betrof die van verevening is uitgesloten.
De man werd veroordeeld tot betaling van € 3.698,93 plus wettelijke rente vanaf 15 september 2021, alsmede in de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van het deel vroegpensioen aan de vrouw met rente en proceskosten.