Uitspraak
RECHTBANK
1.De procedure
- mw. mr. van Baasbank, voornoemd;
- mw. [A] en dhr. [B] , beiden namens het Rijksvastgoedbedrijf.
Rechtbank Midden-Nederland
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft op 10 februari 2022 een verzoek ingediend tot benoeming van een vereffenaar voor de nalatenschap van erflaatster, die is overleden in 2021. De nalatenschap is niet onder boedelbeschrijving aanvaard en wordt niet beheerd door een executeur. De enige erfgenaam benoemd bij testament heeft de nalatenschap verworpen, en het Centraal Bureau voor Genealogie heeft erfgenamenonderzoek verricht waarbij enkele erfgenamen de nalatenschap eveneens hebben verworpen.
Het Rijksvastgoedbedrijf baseert haar verzoek op artikel 4:204 lid 1 sub a BW Pro en stelt zich op het standpunt dat zij belanghebbende is op grond van artikel 4:226 lid 1 BW Pro, omdat een overschot na vereffening aan de Staat zou vervallen als niemand de nalatenschap opeist. De rechtbank oordeelt echter dat dit toekomstige belang niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt, temeer daar erfgenamen bekend zijn die de nalatenschap mogelijk alsnog beneficiair kunnen aanvaarden.
Daarnaast stelt het Rijksvastgoedbedrijf dat zij schuldeiser is omdat zij kosten heeft gemaakt ten aanzien van de nalatenschap. De rechtbank overweegt dat zij pas schuldeiser is geworden na overlijden en dat het niet past binnen het wettelijke stelsel dat een schuldeiser zonder opdracht belanghebbende is in een verzoek tot benoeming van een vereffenaar.
De rechtbank verklaart het Rijksvastgoedbedrijf daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek tot benoeming van een vereffenaar voor de nalatenschap van erflaatster.
Uitkomst: Het verzoek van het Rijksvastgoedbedrijf tot benoeming van een vereffenaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.