Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:4485

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 augustus 2022
Publicatiedatum
9 november 2022
Zaaknummer
UTR 22/1781
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 ZWArt. 45 ZWBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid UWV voor maatregel wegens niet verschijnen bij casemanager in Ziektewetzaak

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een maatregel die het UWV op 15 december 2021 oplegde aan eiser, een Ziektewetuitkeringsgerechtigde, wegens het niet verschijnen op een gesprek met zijn casemanager. Het UWV verlaagde de Ziektewetuitkering met 5% over de periode van 7 december 2021 tot en met 6 februari 2022.

Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel omdat hij van mening was dat het niet verschijnen op het gesprek met de casemanager geen schending van een verplichting uit de Ziektewet vormt. De rechtbank stelde op de zitting vast dat het gesprek met de casemanager niet bedoeld is om de arbeidsongeschiktheid te controleren, en dat eiser op 1 december 2021 door de bedrijfsarts volledig arbeidsongeschikt was verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het UWV niet bevoegd was om op grond van het niet verschijnen een maatregel op te leggen. Het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit herroepen, waardoor het UWV geen bedrag op de Ziektewetuitkering mocht inhouden over de genoemde periode. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 31 augustus 2022 door rechter R.C. Moed in Utrecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV-maatregelbesluit wordt vernietigd wegens onbevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1781

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

31 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J. Meerstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,
(gemachtigde: R. van den Brink).

Procesverloop

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2022. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Deze zaak gaat over een maatregel die het Uwv op 15 december 2021 op verzoek van de
ex-werkgever van eiser, een eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW) aan eiser heeft opgelegd. Met de beslissing op bezwaar 15 maart 2022 heeft het Uwv besloten dat eisers ZW-uitkering met 5% wordt verlaagd over de periode van 7 december 2021 tot en met
6 februari 2022, omdat eiser op 13 december 2021 zonder reden niet is verschenen op een afspraak met zijn casemanager. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
3. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het niet verschijnen op een gesprek met de casemanager geen schending van een verplichting uit de ZW is. Op grond van artikel 39, tweede lid, van de ZW in combinatie met artikel 45, eerste lid, onder e van de ZW kan het Uwv een maatregel opleggen als eiser zich niet houdt aan voorschriften die bedoeld zijn om te controleren of hij daadwerkelijk arbeidsongeschikt is, maar een gesprek met de casemanager kan niet bedoeld zijn voor zo’n controle. Het is niet aan de casemanager om iets te vinden van eisers arbeidsongeschiktheid. Eiser is bovendien op 1 december 2021 verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts, die heeft vastgesteld dat eiser op dat moment volledig arbeidsongeschikt was.
4. Dit betekent dat het Uwv niet bevoegd was om een maatregel aan eiser op te leggen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Dat betekent dat over de periode van 7 december 2021 tot en met 6 februari 2022 geen bedrag op eisers ZW-uitkering mocht worden ingehouden. Voor zover dit wel is gebeurd, moet het ten onrechte ingehouden bedrag aan eiser worden terugbetaald.
5. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
7. Op de zitting heeft de rechtbank gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 augustus 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.