ECLI:NL:RBMNE:2022:4508
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen dwangsom wegens onredelijk late ingebrekestelling na uitstel beslistermijn bezwaar
Eiser kreeg een parkeerboete opgelegd en ging in bezwaar. De beslistermijn voor het bezwaar verstreek op 28 januari 2020, maar partijen stemden met wederzijdse instemming in met uitstel van deze termijn vanwege een hoorzitting. Eiser stemde in met uitstel en stelde zelf voor later contact op te nemen vanwege corona. Na een periode van ruim elf maanden zonder contact, waarin verweerder niet werd ingebreke gesteld, nam verweerder het initiatief tot contact.
Eiser stelde verweerder vervolgens op 26 april 2021 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Verweerder stelde dat deze ingebrekestelling onredelijk laat was, mede omdat eiser een rechtsbijstandverlener is en het tijdsverloop ruim vijftien maanden bedroeg. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk sprake was van uitstel met wederzijdse instemming, waardoor het tijdsverloop niet volledig aan eiser kan worden toegerekend.
Desondanks vond de rechtbank de ingebrekestelling onredelijk laat omdat eiser elf maanden geen actie ondernam en het eerste contact door verweerder werd geïnitieerd. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigden. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het besluit, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat eiser niet in zijn belangen werd geschaad. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd opgedragen het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat verweerder geen dwangsom verschuldigd is wegens onredelijk late ingebrekestelling.