Verzoeker was sinds 2018 in dienst bij verweerster op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In juni 2022 vertrok verzoeker boos van het werk, waarna verweerster per e-mail en post mededeelde de arbeidsovereenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn tot 1 augustus 2022. Verzoeker meldde zich met terugwerkende kracht ziek vanaf 1 juli 2022.
Verzoeker berustte in het ontslag en trok eerdere verzoeken tot vernietiging in, maar vorderde betaling van loon, wettelijke verhoging, rente, een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding, transitievergoeding, vakantiegeld en een salarisspecificatie. Verweerster betwistte de ontvankelijkheid en de aard van het dienstverband, en stelde dat sprake was van werkweigering.
De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van ontslag op staande voet en dat het verzoek tijdig was ingediend. De arbeidsovereenkomst was onregelmatig beëindigd omdat geen schriftelijke instemming van verzoeker was gegeven. De ketenregeling werd niet doorbroken, maar onvoldoende bewijs voor voortzetting tussen contracten was geleverd, waardoor geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan.
Verweerster is veroordeeld tot betaling van loon over augustus en september 2022, vakantietoeslag, vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding van €744,11 en het verstrekken van een salarisspecificatie. Een billijke vergoeding werd afgewezen. Verweerster is tevens veroordeeld in de proceskosten.