Verzoekster diende bezwaar in tegen een besluit van het UWV van 1 april 2021. Het UWV wees het bezwaar op 30 juni 2021 af, waarna verzoekster beroep instelde bij de rechtbank op 20 juli 2021. Het UWV trok het besluit op bezwaar op 22 juli 2021 in en nam op 28 september 2021 een nieuw besluit waarin verzoekster geheel werd tegemoetgekomen.
Nadat verzoekster het beroep introk, vroeg zij vergoeding van haar proceskosten. Het UWV zag hier geen aanleiding toe of wilde slechts een lager bedrag vergoeden. De rechtbank oordeelde dat verzoekster het beroepschrift tijdig had ingediend en dat het beroep niet onontvankelijk was, ondanks dat het besluit op bezwaar na verzending van het beroepschrift was ingetrokken.
De rechtbank stelde vast dat het nieuwe besluit op bezwaar geheel tegemoet kwam aan het beroep, waardoor vergoeding van proceskosten en griffierecht door het UWV aan verzoekster op zijn plaats was. De proceskosten werden vastgesteld op €759,- en het griffierecht op €360,-. Verzoekster werd veroordeeld tot betaling door het UWV van deze bedragen.