ECLI:NL:RBMNE:2022:4723
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van unieke vrijstaande woning
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1975 met een bruto-inhoud van 438 m3, gelegen op een eiland. Verweerder stelde de waarde voor het belastingjaar 2021 vast op € 1.073.000, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie referentiewoningen werden vergeleken, welke volgens de rechtbank voldoende vergelijkbaar zijn ondanks verschillen vanwege de unieke aard van de woning. Eiser betwistte onder meer de gehanteerde indexering, de ligging en de vergelijkbaarheid van referentiewoningen, maar trok enkele beroepsgronden in of bracht deze te laat in, waardoor deze buiten beschouwing werden gelaten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De argumenten van eiser boden onvoldoende onderbouwing voor een lagere waarde, waaronder het niet aannemelijk maken van een waardedrukkend effect van de ligging op een eiland. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 1.073.000 wordt ongegrond verklaard.