ECLI:NL:RBMNE:2022:473
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan de hand van vergelijkingsmethode
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats. De gemeente had de waarde van de woning voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op €223.000,- met een waardepeildatum van 1 januari 2020. Eiseres stelde dat de waarde te hoog was en gaf een lagere waarde van €175.000,- op.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De gemeente gebruikte een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen uit dezelfde wijk, met vergelijkbare bouwjaren, woonoppervlakten en ligging. De verschillen tussen de woningen werden inzichtelijk gemaakt, onder meer door afzonderlijke waardering van aanbouwen en grondoppervlakte.
Eiseres voerde aan dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar waren vanwege verschillen in uitbouw, staat van onderhoud, en ligging nabij een speeltuin en fietspad. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de verschillen onvoldoende reden gaven om de referentiewoningen als onbruikbaar te beschouwen. Ook werd niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde gebreken en overlast een bijzonder waardedrukkend effect hadden.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat de vergelijking met WOZ-waardes van andere woningen niet geschikt is om de waarde van de woning te bepalen, omdat deze woningen niet rond de waardepeildatum waren verkocht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €223.000,- wordt ongegrond verklaard.