ECLI:NL:RBMNE:2022:4731

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 september 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
UTR 21/4948, UTR 21/4950 en UTR 21/4951
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • J.R. van Es- de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting P+R Weesp met vergoeding griffierecht wegens motiveringsgebrek

Eiser heeft drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting ontvangen voor parkeren zonder betaling op de Park and Ride in Weesp op 8, 9 en 10 oktober 2021. Hij voerde aan dat hij niet op de hoogte was van het betaalde parkeerregime en dat hij niet gewaarschuwd kon worden vanwege zijn afwezigheid in verband met een buitenlandse reis.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, omdat sinds maart 2021 duidelijk betaald parkeren geldt op de locatie, en de parkeerautomaten en bebording voldoende duidelijkheid bieden. Eiser had een onderzoeksplicht om dit te controleren.

Wel is de rechtbank het eens met eiser dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, omdat de bezwaargronden niet expliciet zijn besproken. Dit motiveringsgebrek wordt echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat in beroep wel op de argumenten is ingegaan. De uitspraak op bezwaar blijft daarom in stand, maar verweerder moet het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen wordt ongegrond verklaard, maar het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21 /4948, UTR 21 /4950 en UTR 21 /4951
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2022 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Weesp, verweerder

(gemachtigde: C. Helder).

Procesverloop

21 /4948 (aanslagnummer 00101090975)
Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 66,50 (€ 65,30 kosten naheffing en € 1,20 parkeerkosten). Volgens verweerder heeft eiser het voertuig met het kenteken [kenteken] op 9 oktober 2021 om 02:26 uur geparkeerd ter hoogte van de [locatie] in Weesp zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen.
21 /4950 (aanslagnummer 00101075967)
Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 68,30 (€ 65,30 kosten naheffing en € 3,00 parkeerkosten). Volgens verweerder heeft eiser het voertuig met het kenteken [kenteken] op 8 oktober 2021 om 10:43 uur geparkeerd ter hoogte van de [locatie] in Weesp zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen.
21 /4951 (aanslagnummer 00101108252)
Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 66,50 (€ 65,30 kosten naheffing en € 1,20 parkeerkosten). Volgens verweerder heeft eiser het voertuig met het kenteken [kenteken] op 10 oktober 2021 om 02:23 uur geparkeerd ter hoogte van de [locatie] in Weesp zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen.
In de uitspraken op bezwaar van 9 november 2021 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de drie naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2022 op een online zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 8, 9 en 10 oktober 2021 geparkeerd stond aan de [locatie] ter hoogte van [adres] in Weesp en dat eiser daar op dat moment stond geparkeerd zonder te betalen, terwijl daar wel betaald moest worden voor het parkeren.
2. Eiser vindt dat het onredelijk is dat verweerder drie naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Hij wijst erop dat hij al jarenlang gratis parkeert op de Park and Ride nabij het treinstation in Weesp als hij naar Noorwegen reist en dat hij er totaal niet van op de hoogte was dat er nu betaald moet worden voor het parkeren op de Park and Ride. Ook bij het parkeren is hem niet opgevallen dat sprake is van betaald parkeren. Nu hij naar het buitenland is gereisd voor meerdere dagen, kon hij ook niet met een parkeerbon worden gewaarschuwd en bestond er dus geen mogelijkheid om parkeerkosten te betalen voor de andere dagen. Op de zitting heeft eiser uitgelegd dat hij vanwege corona een tijd niet op deze parkeerplek was geweest. 8 oktober was de eerste keer in 2021. Ook wijst eiser erop dat in de uitspraak op bezwaar zijn voornaamste argumenten uit zijn bezwaarschrift helemaal niet worden genoemd.
3. De rechtbank is van oordeel dat de drie naheffingsaanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd. Uit de stukken die verweerder heeft overgelegd blijkt dat sinds maart 2021 sprake is van een betaald parkeerregime op de Park and Ride bij het treinstation. Helaas kwam eiser daar pas na een tijd achter, te weten in oktober na zijn reis naar het buitenland. De rechtbank volgt de toelichting van verweerder dat het aan de ene kant aan verweerder is om duidelijk uit te leggen dat sprake is van betaald parkeren, maar dat aan de andere kant een onderzoeksplicht voor een parkeerder geldt om te kijken of sprake is van betaald parkeren. Volgens de rechtbank was het in dit geval met de parkeerautomaten en de bebording voldoende duidelijk dat op de parkeerplaats waar eiser heeft geparkeerd moest worden betaald.
4. De rechtbank is het wel met eiser eens dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. In de uitspraak op bezwaar worden de bezwaargronden van eiser niet genoemd en de overwegingen zijn in algemene bewoordingen opgesteld. Het was voor eiser daarom in de uitspraak op bezwaar niet goed te controleren of zijn argumenten wel zijn meegenomen in de beslissing. Eiser heeft beroep moeten instellen om duidelijkheid te krijgen over de vraag waarom verweerder vindt dat de argumenten van eiser niet kunnen slagen. De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat verweerder in beroep wel is ingegaan op de argumenten van eiser en eiser daarop heeft kunnen reageren. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand kan blijven. Wel ziet de rechtbank in het gebrek aanleiding om verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 26 september 2022.
De rechter is verhinderd het
proces-verbaal te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.