De zaak betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker], een Nederlandse vestiging van een Amerikaans bedrijf, en [verweerder], die sinds januari 2022 in dienst was. [verzoeker] vorderde ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van de werknemer wegens grensoverschrijdend gedrag, waaronder vrouwonvriendelijke en racistische opmerkingen.
[verweerder] betwistte de beschuldigingen en stelde dat de werkgever onzorgvuldig onderzoek had verricht, zonder hoor en wederhoor, en dat de arbeidsverhouding al voor zijn indiensttreding moeizaam was. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek had gedaan, waardoor de beschuldigingen onvoldoende waren onderbouwd en de werkgever verwijtbaar had gehandeld. De werknemer werd niet ernstig verwijtbaar geacht.
De arbeidsrelatie was dermate verstoord dat ontbinding op de g-grond werd toegewezen met een einddatum van 1 november 2022, aansluitend bij de CAO-opzegtermijn. De werknemer kreeg een transitievergoeding en een vergoeding over de resterende contractperiode toegekend. Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot vergoeding van werkelijk gemaakte advocaatkosten wegens schending van goed werkgeverschap en in de proceskosten.
De kantonrechter gaf de werkgever twee weken de gelegenheid het verzoek in te trekken, waarna bij niet-intrekking de ontbinding definitief is. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek bij ernstige beschuldigingen en de verantwoordelijkheid van de werkgever in internationale bedrijfsculturen.