De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 februari 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake een hennepkwekerij. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €804.416,64 gevorderd, maar wijzigde dit tijdens de zitting en verzocht afwijzing van de vordering omdat niet aannemelijk was geworden dat verdachte voordeel had genoten.
Verdachte en zijn raadsman voerden eveneens aan dat niet was komen vast te staan dat verdachte geld had verdiend aan de hennepkwekerij. De rechtbank oordeelde dat omdat verdachte was vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij en er geen bewijs was dat hij voordeel had genoten, de vordering tot ontneming niet kon worden toegewezen.
De rechtbank wees de vordering daarom af en sprak dit uit in een vonnis van 15 februari 2022, gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van H.F. Koenis en rechters S.M. Schothorst en J.O. Zuurmond.