De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 februari 2022 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde naar aanleiding van een hennepkwekerij met 11 oogsten. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van ruim €800.000, later bijgesteld naar €530.971,94, gebaseerd op het aantal oogsten en kweekcycli, met aftrek voor detentieperioden van veroordeelde.
De verdediging stelde primair vrijspraak voor en subsidiair dat het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt was tot €6.000, het bedrag dat veroordeelde ontving voor het op zijn naam zetten van het huurcontract van het pand waar de kwekerij was gevestigd. Tevens werd verzocht rekening te houden met de draagkracht en de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het niet aannemelijk was dat veroordeelde heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij en dat het voordeel beperkt bleef tot de €6.000 vergoeding. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met ruim tweeënhalf jaar werd het bedrag verminderd tot €4.000 als passende compensatie.
De rechtbank legde veroordeelde de betalingsverplichting van €4.000 op aan de Staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 80 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 15 februari 2022.