ECLI:NL:RBMNE:2022:4943
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde bedrijfswoning in geschil bij rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een bedrijfswoning gelegen aan een adres in een woonplaats, vastgesteld op €314.000 voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt dat de waarde niet hoger kan zijn dan €282.000. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaaft de vastgestelde waarde en onderbouwt dit met een taxatierapport inclusief een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De woning is getypeerd als vrijstaande woning ondanks dat deze gedeeltelijk vastzit aan een bedrijfsobject, wat de rechtbank begrijpelijk acht. Ook is geoordeeld dat de vergelijking met referentiewoningen zonder bedrijfsbestemming passend is, aangezien de woning midden in het dorp ligt en geen zelfstandige toegang heeft, en dat de grondstaffel passend is toegepast.
Verder vindt de rechtbank dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de wijze van indexering van verkoopcijfers en de correcties op KOUDVL-factoren. De door eiser aangevoerde bezwaren over de referentiewoningen en bouwjaren worden verworpen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de bedrijfswoning wordt ongegrond verklaard.