Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Wat is er in deze zaak aan de hand?
3.De beoordeling
622,00(2 punten x tarief € 311,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een vordering van een verhuurder tegen een huurder van bedrijfsruimte wegens niet-betaalde huurtermijnen van januari tot en met juli 2021. De huurder erkent de huurachterstand maar betwist de nevenvorderingen zoals rente en proceskosten. De kantonrechter wijst de hoofdsom van € 6.139,50 toe, vermeerderd met wettelijke handelsrente over het totale bedrag van € 14.325,50 en buitengerechtelijke incassokosten van € 681,98.
De huurder stelde dat zij tijdelijk geen beschikking had over het gehuurde en wilde een betalingsregeling treffen, maar de kantonrechter benadrukt dat een dergelijke regeling alleen tussen partijen zelf tot stand kan komen. De procedure is niet onnodig gestart omdat de verhuurder meerdere aanmaningen heeft gestuurd en de huurder pas na dagvaarding contact opnam.
Proceskosten worden toegewezen aan de zijde van de verhuurder, begroot op € 1.244,19 inclusief salaris gemachtigde. Tevens wordt het vonnis waarmerkt als Europese executoriale titel voor de hoofdsom van € 6.139,50. Het vonnis is uitgesproken door kantonrechter F.H. Charbon op 10 augustus 2022.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van resterende huur, rente, incassokosten en proceskosten.