Eiser vordert in kort geding de verwijdering van beveiligingscamera's die gedaagde op het hek en de toegangsweg naar zijn woning heeft geplaatst, stellende dat deze camera's zijn privacy schenden. Gedaagde voert aan dat de camera's onderdeel zijn van een veiligheidsplan in samenwerking met Securitas en politie, gericht op het voorkomen van vernielingen en het achterlaten van huisdieren.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de camera's gericht zijn op de toegangsweg en niet op de woning zelf, maar dat zij wel verkeersbewegingen van eiser en bezoekers vastleggen, wat een inbreuk op de privacy vormt. Deze inbreuk is in beginsel onrechtmatig, tenzij er een rechtvaardigingsgrond bestaat.
Na belangenafweging weegt het belang van gedaagde bij het voorkomen van nieuwe incidenten zwaarder dan het privacybelang van eiser. De camera's worden slechts incidenteel bekeken door één persoon en beelden worden na drie weken verwijderd. Het geschil over een eigen toegangsweg blijft buiten beschouwing omdat de voorwaardelijke reconventie niet aan de orde is.
De vordering tot verwijdering van de camera's wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit vonnis is gewezen door R.M. Berendsen en op 6 december 2022 uitgesproken.