ECLI:NL:RBMNE:2022:519

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 februari 2022
Publicatiedatum
15 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3211
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZiektewetArt. 29b ZiektewetArt. 57 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op no-risk polis na beëindiging WIA-uitkering en nieuw dienstverband

De zaak betreft de vraag of een oud-werknemer van Start People terecht een Ziektewetuitkering ontvangt die bijdraagt aan de premie die Start People voor de Ziektewet moet betalen. De werknemer was eerder ziek geworden bij een andere werkgever en ontving een WIA-uitkering die in januari 2019 werd beëindigd na een herbeoordeling.

Na een nieuw dienstverband bij Start People werd de werknemer in oktober 2019 ziek, waarna het contract eindigde en hij een Ziektewetuitkering kreeg toegekend. Start People stelde dat de WIA-uitkering had moeten herleven en dat zij daarom niet financieel verantwoordelijk mocht worden gehouden voor de Ziektewetuitkering.

De rechtbank oordeelde dat de WIA-uitkering inderdaad kan herleven bij ziekte door dezelfde oorzaak, maar dat dit niet uitsluit dat de werknemer ook recht heeft op een Ziektewetuitkering bij een latere werkgever. De no-riskpolisregeling geldt niet voor deze situatie, zodat Start People het financiële risico draagt.

De rechtbank concludeert dat het UWV het besluit tot voortzetting van de Ziektewetuitkering terecht heeft gehandhaafd en verklaart het beroep van Start People ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van Start People tegen het besluit tot voortzetting van de Ziektewetuitkering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2022 in de zaak tussen

Start People Staffing B.V. , gevestigd in Almere , eiseres

(gemachtigde: C. Rigters-Snijders ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: T.R. Vallinga).

Inleiding

Deze zaak gaat over de vraag of de oud-werknemer van eiseres terecht een Ziektewetuitkering krijgt, die bijdraagt aan de premie die eiseres voor de Ziektewet moet betalen.
De werknemer werkte eerst voor een andere werkgever en is in 2015 ziek geworden. Nadat de vorige werkgever het loon tijdens de wettelijke wachttijd van twee jaar had doorbetaald, heeft de werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gekregen. In 2018 was er een herbeoordeling van de WIA-uitkering, die er na een bezwaarprocedure van de vorige werkgever toe leidde dat die uitkering in januari 2019 is beëindigd. Daaraan lag ten grondslag dat de werknemer toen minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Na nog voor een andere werkgever te hebben gewerkt is de werknemer in juli 2019 als uitzendkracht in dienst gekomen bij eiseres. In oktober 2019 is hij ziek geworden, waardoor het contract bij eiseres eindigde vanwege het ‘uitzendbeding’. Vanaf oktober 2019 kreeg hij daarom een Ziektewetuitkering als arbeidsongeschikte zonder werkgever.
In augustus 2020 was er een herbeoordeling, omdat de werknemer toen bijna een jaar een Ziektewetuitkering had. Dat leidde tot het besluit van 20 augustus 2020, waarin het Uwv die uitkering ongewijzigd heeft voortgezet.
Met het besluit van 22 juni 2021 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daartegen heeft eiseres beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de online zitting van 3 februari 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [A] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres vindt dat de in januari 2019 beëindigde WIA-uitkering weer had moeten worden toegekend toen de werknemer in oktober 2019 opnieuw ziek werd. Dan was er geen Ziektewetuitkering toegekend. Het financiële risico van de ziekte van de werknemer moet volgens eiseres bij de oude werkgever liggen, of in ieder geval niet bij eiseres. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat haar belang niet beperkt is tot de periode waarover de Ziektewetuitkering aan de werknemer wordt toegekend en die van invloed is op de premie die eiseres voor de Ziektewet moet betalen. Na afloop van de maximale Ziektewetuitkering van twee jaar kan de werknemer immers in aanmerking komen voor een (nieuwe) WIA-uitkering, waarvan de kosten op eiseres zullen drukken omdat zij voor de Wet WIA eigenrisicodrager is.
2. Verweerder handhaaft zijn besluit. Verweerder ziet in de bepalingen van de Ziektewet geen mogelijkheid voor een andere uitkomst.
3. De rechtbank volgt verweerder daarin en geeft eiseres geen gelijk.
4. Het is juist dat de WIA-uitkering die in januari 2019 is beëindigd zou kunnen ‘herleven’, als de ziekte waardoor de werknemer in oktober 2019 uitviel door dezelfde oorzaak komt als waarvoor de uitkering destijds was toegekend. Dat volgt uit artikel 57 van Pro de Wet WIA. Maar dat betekent niet dat de werknemer daarnaast niet óók aanspraak kan maken op een Ziektewetuitkering vanwege ziekte bij een latere werkgever.
5. Op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c, van de Ziektewet heeft iemand recht op een Ziektewetuitkering als hij ziek is en zijn arbeidsovereenkomst eindigt. De Ziektewetuitkering komt dan als ‘vangnet’ in de plaats van de loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte. De werknemer van eiseres voldeed als zieke uitzendkracht met uitzendbeding aan deze bepaling en had daarom recht op een Ziektewetuitkering: eiseres betaalde zijn loon immers niet door.
6. Het is ook niet vreemd dat iemand gelijktijdig een herleefde WIA-uitkering en een Ziektewetuitkering of loondoorbetaling bij ziekte kan hebben. Het is immers mogelijk dat het loon of de arbeidsomvang bij opeenvolgende werkgevers verschillen en dan is dat voor de zieke werknemer van belang. Het Uwv zal een en ander dan met elkaar verrekenen: van een ‘dubbele uitkering’ zal geen sprake zijn. Maar dat is iets tussen het Uwv en de werknemer waar eiseres niets mee te maken heeft.
7. De wetgever heeft niet geregeld dat eiseres als opvolgende werkgever voor deze situatie gecompenseerd wordt voor de premie voor de Ziektewet of voor het risico van een latere WIA-uitkering. In artikel 29b van de Ziektewet is geregeld in welke situaties de werkgever geen financieel risico loopt bij uitval van een werknemer. Deze regeling staat bekend als de ‘no riskpolis’. Maar de situatie die zich hier voordoet wordt daarin niet genoemd. De no riskpolis geldt wel voor iemand die aan het einde van de wachttijd bij de eerdere werkgever minder dan 35% arbeidsongeschikt is en later bij een andere werkgever gaat werken, maar niet voor iemand die dat pas doet nadat een eerder toegekende WIA-uitkering wordt beëindigd. Hoewel de rechtbank wel ziet dat ook eiseres een zeker risico heeft durven nemen met het aannemen van deze werkgever met een WIA-geschiedenis, heeft de wetgever er dus niet voor gekozen daarvoor in de wet een regeling te treffen. Het is niet aan de rechtbank om die keuze te beoordelen.
8. Eiseres heeft verder geen argumenten aangevoerd tegen de inhoudelijke beoordeling na het eerste ziektejaar en de rechtbank heeft ook geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat leidt tot de conclusie dat verweerder de Ziektewetuitkering van de werknemer terecht heeft gehandhaafd.
9. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. drs. N.L.K.J. Li, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.