ECLI:NL:RBMNE:2022:5246

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 augustus 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
541785 / HA RK 22-159
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 RvArt. 36 RvArt. 67 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verschoning rechter wegens mogelijke schijn van partijdigheid gegrond verklaard

In deze zaak heeft de verzoeker op 12 juli 2022 een verzoek tot verschoning ingediend in een civiele hoofdzaak betreffende een beroepschrift tegen de goedkeuring van een schikking in faillissementen van twee vennootschappen. De verzoeker was van circa 2011 tot 2019 samen met een curator in de Raad van Discipline actief geweest en vreesde dat deze nauwe samenwerking, in combinatie met mogelijke privé-aansprakelijkheid van de curator, de schijn van partijdigheid zou kunnen wekken.

De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 40 en Pro 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij werd overwogen dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid rechtvaardigen. Hierbij is ook de uiterlijke schijn van partijdigheid van belang om het vertrouwen in het rechterlijk apparaat te waarborgen.

Gezien de langdurige samenwerking van acht jaar tussen verzoeker en curator en de mogelijke verstrekkende privé-gevolgen van de hoofdzaak voor de curator, achtte de verschoningskamer de schijn van partijdigheid voldoende aannemelijk. Daarom werd het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt gegrond verklaard vanwege de schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummers/rekestnummer: 541785 / HA RK 22-159
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 12 augustus 2022
op het verzoek in de zin van artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
mr. R.A. Steenbergen,
rechter,
verder: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 12 juli 2022 een verschoningsverzoek gedaan in de zaak 20/365F (verder: de hoofdzaak).
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek tot verschoning plaatsgevonden.
1.3.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoeker meent dat sprake is van omstandigheden die, als hij in de hoofdzaak de behandelend rechter zou zijn, mogelijk bij overige belanghebbenden de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid kan oproepen. Hij voert hiertoe het navolgende aan.
2.2.
In de hoofdzaak gaat het om een beroepschrift op grond van artikel 67 van Pro de Faillissementswet, gericht tegen de goedkeuring van een schikking in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. In het faillissement van [bedrijf 2] B.V. is één van de curatoren mr. [curator] (verder: [curator] ). Afhankelijk van de uitkomst van de hoofdzaak wordt voornoemde curator mogelijk in privé aansprakelijk gesteld voor het onttrekken van goederen aan [bedrijf 1] B.V. Omdat verzoeker vanaf ongeveer 2011 tot in 2019 samen met [curator] deel heeft uitgemaakt van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden en zij ook meermalen samen deel hebben uitgemaakt van het dagcollege, voelt hij zich niet vrij om het beroepschrift te behandelen. Dit in het bijzonder omdat een beslissing in appel in privé gevolgen kan hebben voor [curator] .

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 40 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv Pro. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van
de betrokken rechter, ook sprake zijn als bepaalde feiten of omstandigheden grond geven
te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat
geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.4.
Uit het verzoek blijkt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat in de hoofdzaak de schijn van partijdigheid kan worden gewekt. Een oordeel in de hoofdzaak kan gevolgen in de privésfeer hebben voor [curator] en verzoeker heeft in de Raad van Discipline acht jaar nauw met hem samengewerkt. Aan deze samenwerking is drie jaar geleden weliswaar een einde gekomen, maar gelet op de lange duur van de samenwerking en de mogelijk verstrekkende gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak, heeft verzoeker naar het oordeel van de verschoningskamer voldoende aannemelijk gemaakt dat daardoor de schijn kan bestaan dat het hem aan onpartijdigheid zal ontbreken. De verschoningskamer ziet hierin een genoegzame grond voor verschoning. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan
verzoeker, betrokken partijen in de hoofdprocedure, alsmede de president van deze
rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. E.W.A. Vonk als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.