ECLI:NL:RBMNE:2022:5277

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
UTR 22/1759
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:12 APVArt. 2:18 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning uitweg wegens strijd met APV en ontbreken noodzaak

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die op 6 oktober 2021 is verleend voor het realiseren van een uitweg op eigen terrein naast de woning van vergunninghouder. Het college heeft de bezwaren ongegrond verklaard, waarna eisers de zaak aan de rechtbank voorlegden.

De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning ten onrechte heeft verleend omdat het toetsingskader uit artikel 2:12 van Pro de APV limitatief en imperatief is. De beleidsregels die het college hanteert bieden ruimere mogelijkheden dan de APV en zijn daarmee in strijd. De aanleg van de uitweg leidt tot het verlies van een openbare parkeerplaats zonder dat een noodzaak is aangetoond.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit tot vergunningverlening, en wijst de vergunning af. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan op 16 november 2022 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning en wijst deze af wegens strijd met de APV en ontbreken van noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1759
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2022 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
[eiser 7]en
[eiser 8], allen uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M. Nagel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder
(gemachtigden: W.O. van der Wijk en A.E. Schaap-Huijgen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder]uit [plaats] (vergunninghouder).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de op 6 oktober 2021 verleende omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het realiseren van een in- en uitrit (de uitweg) op eigen terrein direct naast zijn woning aan de [perceel] in [plaats] (het perceel).
Eisers wonen allemaal ook op de [straat] in [plaats] en zijn het niet eens met de verleende vergunning. In het besluit van 30 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college verwijst naar het in bezwaar ingebrachte verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 16 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 7] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college en vergunninghouder.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank meteen uitspraak gedaan, waarbij partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan. De motivering van de uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 maart 2022;
  • herroept het besluit van 6 oktober 2021, bepaalt dat dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.616,48 aan proceskosten aan eisers.

Het toetsingskader

1. Het realiseren van de uitweg is een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. In dat geval geldt het toetsingskader uit artikel 2:12 van Pro de APV gemeente [plaats] 2020. Zoals tijdens de zitting is besproken, is dit toetsingskader limitatief en imperatief van aard. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning alleen toetst aan de in de APV opgesomde weigeringsgronden, en móet weigeren als één van de weigeringsgronden zich voordoet.

Het oordeel van de rechtbank

2. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning geweigerd moest worden, omdat er te veel openbare parkeerplaatsen verloren gaan. De rechtbank is het met hen eens en oordeelt dat het college de omgevingsvergunning voor de uitweg ten onrechte heeft verleend. Dat legt zij als volgt uit.
De beleidsregels
3. In artikel 2:12 van Pro de APV is bepaald dat de vergunning moet worden geweigerd als door de uitweg
één parkeerplaatszonder noodzaak vervalt. Het college heeft ter invulling van onder meer deze bepaling de ‘Beleidsregel inritvergunningen [plaats] 2017’ vastgesteld. Artikel 2.3, onder b, van de Beleidsregel bepaalt dat de uitweg niet ten koste mag gaan van
meerdere vakkenin een langsparkeerstrook. De Beleidsregel biedt dus ruimere mogelijkheden dan artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV en is hiermee in strijd. Naar het oordeel van de rechtbank had het college artikel 2.3, onder b, van de Beleidsregel daarom buiten toepassing moeten laten.
Verlies van een openbare parkeerplaats zonder noodzaak
4. Er bestaat tussen partijen geen discussie dat met de aanleg van de uitweg in ieder geval één openbare parkeerplaats verloren gaat. De vraag is vervolgens of er een noodzaak voor de uitweg bestaat. Eisers stellen hierover dat vergunninghouder alleen een privébelang heeft, waarvan de noodzaak niet is aangetoond. De rechtbank kan eisers hierin volgen. Van het college en vergunninghouder heeft de rechtbank op de zitting geen goede argumenten gehoord waarom de aanleg van de uitweg wel noodzakelijk is. Daarmee wordt dus voldaan aan alle onderdelen van de weigeringsgrond van artikel 2.12, tweede lid, onder b, van de APV.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het is genomen in strijd met artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang met artikel 2:12 van Pro de APV. Door die strijdigheid en vanwege het limitatieve-imperatieve karakter van het toetsingskader in de APV is er vervolgens maar één uitkomst mogelijk: de gevraagde uitwegvergunning moet geweigerd worden. De rechtbank zal in die beslissing voorzien. Het college hoeft geen nieuw besluit meer te nemen.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De bijstand door de gemachtigde levert 4 punten op, omdat de gemachtigde een bezwaar- en beroepschrift heeft ingediend en aan de hoorzitting en de zitting bij de rechtbank heeft deelgenomen. Voor de bezwaarfase geldt een waarde per punt van € 541,- en voor de beroepsfase € 759,-. Toegekend wordt dus € 2.600,-. Verder krijgen eisers ook een vergoeding voor de gevraagde reiskosten van € 16,48 voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. De totale vergoeding is dan € 2.616,48.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022 door
mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.