Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 februari 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot woninginbraak op 14 juni 2021 in een woning te [plaats]. De officier van justitie stelde dat getuigenverklaringen, politiebevindingen en sporen voldoende bewijs vormden voor een veroordeling. De verdediging betoogde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was en verwees naar ontlastend forensisch bewijs.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de dubieuze alibi-verklaring van verdachte, het bewijs onvoldoende was om zijn betrokkenheid aan te tonen. Er waren geen herkenningen door getuigen, geen technisch bewijs dat verdachte linkte aan de plaats delict, en forensisch onderzoek wees uit dat schoenafdrukken en glasscherven niet van verdachte afkomstig waren. Ook de telefoonlocaties ondersteunden de verdenking niet.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde poging tot woninginbraak. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De uitspraak benadrukt het belang van wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor poging tot woninginbraak.