ECLI:NL:RBMNE:2022:5551
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning rechter wegens schijn van partijdigheid gegrond verklaard
In deze zaak heeft een civiel rechter een verzoek tot verschoning ingediend omdat zij zich niet vrij voelt om in de hoofdzaak te beslissen. De hoofdzaak betreft de vraag of een onderneming valt onder de verplichte werkingssfeer van een pensioenfonds. Een investeerder met een groot financieel belang is betrokken bij de onderneming, en deze investering is destijds onder eindverantwoordelijkheid van een persoon uit de directe omgeving van de verzoekster gedaan.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, kan de schijn van partijdigheid aanleiding geven tot verschoning. De verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn van vooringenomenheid kan bestaan, waardoor zij zich niet vrij voelt de zaak te behandelen.
De kamer acht de motivering van het verzoek voldoende en verklaart het verzoek tot verschoning gegrond. Dit waarborgt de onafhankelijkheid en het vertrouwen in het rechterlijk apparaat. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt gegrond verklaard vanwege de schijn van partijdigheid.