ECLI:NL:RBMNE:2022:5589
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en verslechtering gezondheid
Eiser heeft zijn WAO-uitkering ingetrokken gekregen per 28 september 2007 omdat zijn arbeidsongeschiktheid toen minder dan 15% bedroeg. Hij verzocht meerdere malen om herziening op grond van vermeende nieuwe feiten en verslechtering van zijn gezondheid, met name psychische klachten en rugklachten.
Het UWV heeft deze verzoeken steeds afgewezen, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en dat tijdens de Amber-periode geen toename van beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak is vastgesteld. De rechtbank toetst of het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en of het besluit evident onredelijk is.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de medische informatie geen nieuwe feiten bevat die niet eerder bekend waren of hadden kunnen worden aangevoerd. Psychische klachten en medicatiegebruik waren reeds bekend in 2007, en rugklachten hebben destijds niet geleid tot beperkingen die een WAO-uitkering rechtvaardigen.
De rechtbank volgt deze conclusies en oordeelt dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Ook is tijdens de Amber-periode geen verslechtering van de psychische klachten aangetoond die een herleving van de WAO-uitkering rechtvaardigt.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser geen recht heeft op hernieuwde WAO-uitkering. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geweigerd terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering.