Eiser is eigenaar van een tussenwoning gebouwd in 1975 met een oppervlakte van 141m2. De gemeente stelde de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2021 vast op €394.000 per waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde en vorderde een lagere waarde van €355.000. De gemeente handhaafde de waarde, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de WOZ-waarde de marktwaarde weerspiegelt, bepaald via een vergelijkingsmethode met referentiewoningen. De gemeente onderbouwde de waarde met een taxatiematrix van vier referentiewoningen verkocht rond de waardepeildatum. De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de referentiewoningen passend en vergelijkbaar zijn.
Eiser voerde aan dat de referentiewoningen niet bruikbaar waren vanwege verschillen in locatie en overlast door reconstructies in de omgeving. De rechtbank verwierp dit en stelde dat de gemeente rekening heeft gehouden met verschillen in ligging en overlast, wat tot uitdrukking komt in de prijs per vierkante meter. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg het griffierecht niet terug.