Uitspraak
1.De procedure
2.Waar gaat het over?
3.De beoordeling
in conventievastgesteld op € 498,- aan salaris gemachtigde (2 punten x € 249,-).
in reconventievastgesteld op € 155,50 (1 punt × € 311,- × factor 0,5).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de redelijkheid van de aanvangshuurprijs van een zelfstandige woonruimte die door eiser aan gedaagde is verhuurd voor €1.200 per maand. Gedaagde heeft de huurprijs laten toetsen door de Huurcommissie, die de huurprijs aanzienlijk lager vaststelde op basis van een minimum WOZ-waarde. Eiser betwist deze WOZ-waarde en stelt dat de waarde hoger ligt, wat leidt tot een hogere redelijke huurprijs.
De kantonrechter volgt de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad dat de minimum WOZ-waarde niet geschikt is voor de waardering wanneer geen aparte WOZ-beschikking bestaat. De kantonrechter stelt de WOZ-waarde vast door vergelijking met soortgelijke panden in de directe omgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de hogere kwaliteit van het gehuurde.
Het totale puntenaantal komt daarmee uit op 133, wat leidt tot een maximale huurprijs van €673,14, lager dan de overeengekomen huurprijs. De kantonrechter wijst daarom de vordering van eiser af en veroordeelt hem tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan gedaagde, inclusief wettelijke rente. Tevens worden de proceskosten verdeeld conform het resultaat.
Uitkomst: De aanvangshuurprijs van €1.200 is niet redelijk en eiser moet €7.376,04 terugbetalen aan gedaagde.