ECLI:NL:RBMNE:2022:5704

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2022
Publicatiedatum
29 december 2022
Zaaknummer
UTR 22/4331
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen verkeersbesluit aanwijzing parkeerplaatsen voor elektrisch laden in Houten

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een verkeersbesluit van de gemeente Houten waarin twee parkeerplaatsen zijn aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen, waardoor deze niet meer beschikbaar zijn voor niet-elektrische auto's. Het besluit is genomen op basis van het Beleidsplan Parkeervisie 2021 en de Wegenverkeerswet 1994, met als doel het bevorderen van duurzame mobiliteit en het beperken van milieuschade.

De rechtbank overweegt dat het beleid van de gemeente niet onredelijk is en dat de locatiekeuze gebaseerd is op een datagestuurd verzoek van de exploitant van laadpalen, waarbij de bezettingsgraad van bestaande laadpalen meer dan 50% bedroeg. Alternatieve locaties zijn onderzocht en afgewogen, waarbij nadelen zoals boomwortels en ondergrondse infrastructuur een rol speelden.

Hoewel eisers zich niet gehoord voelen en nadeel ondervinden door het verlies van parkeerplaatsen, is dit nadeel niet onevenredig in verhouding tot het algemene belang van duurzaamheid. Er zijn nog andere parkeermogelijkheden nabij hun woning. De rechtbank ziet geen procedurele fouten en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het verkeersbesluit voor het aanwijzen van parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4331
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2022 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Miltenburg en A.A. Oskan).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit van verweerder om ter hoogte van [adres] in Houten twee parkeerplaatsen aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen en deze daarmee als parkeerplaats voor niet-elektrische auto’s te onttrekken.
Op 18 mei 2022 heeft verweerder het verkeersbesluit in het Gemeenteblad gepubliceerd. Eisers zijn tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit hebben eisers gezamenlijk beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2022 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Het verkeerbesluit van verweerder is gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het door de gemeente vastgestelde Beleidsplan Parkeervisie 2021. Het verkeersbesluit benoemt onder meer het beperken van de gevolgen voor het milieu en het bevorderen van doelmatig of zuinig energiegebruik als belangen die aan het besluit ten grondslag liggen. In de Parkeervisie 2021 is onder meer opgenomen dat Houten wil bijdragen aan duurzame mobiliteiten. De aanwijzing van locaties voor openbare oplaadpalen voor elektrische auto’s past daarin. In het beleid is ook opgenomen dat laadpunten ook kunnen worden gerealiseerd in gebieden waar de parkeerdruk hoog is.
3. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk en verweerder heeft dit aan het verkeersbesluit ten grondslag mogen leggen. Verweerder heeft toegelicht dat het verkeersbesluit is genomen naar aanleiding van een datagestuurd verzoek van de exploitant van laadpalen. Uit het systeem van de exploitant bleek dat de dichtstbijzijnde laadpaal een bezettingsgraad van meer dan 50% had over de laatste drie maanden. Dat is op zich niet bestreden. Volgens het beleid brengt dit mee dat meer laadpalen in de buurt worden geplaatst en dat is niet onredelijk als bijdrage om duurzame mobiliteit te stimuleren. Verweerder heeft vervolgens bepaald dat de huidige locatie de meest geschikte locatie daarvoor is. Niet gesteld is dat de locatie niet voldoet aan de criteria van het beleid. Dat er mogelijk alternatieve locaties zijn voor de plaatsing maakt niet dat de gekozen locatie onrechtmatig is. Ook de alternatieven die door eisers zijn aangedragen hebben hun nadelen. Verweerder is hierop in het bestreden besluit afdoende ingegaan, bijvoorbeeld waar het gaat om aanwezigheid van boomwortels of ondergrondse infrastructuur. Verder is aannemelijk dat door het verlies van parkeerplaatsen op andere plekken in de wijk, de parkeerdruk daar weer zou toenemen.
4. De rechtbank begrijpt dat eisers zich niet gehoord voelen. Het is goed voorstelbaar dat de gemeente beleid maakt en dat individuele bewoners het gevoel hebben dat hun individuele bezwaren geen verschil meer maken als er een besluit wordt genomen dat conform dit beleid is en waar zij zich door benadeeld voelen. Een besluit dat in het algemeen belang wordt genomen kan het individu negatief treffen. Waar het om gaat is dat dit nadeel niet onevenredig groot mag zijn ten opzichte van het (algemene) doel dat met het besluit wordt gediend. Daar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van, omdat er voor eisers in de nabijheid van hun woning immers ook nog andere parkeermogelijkheden zijn. Verweerder heeft het belang om de duurzaamheid te bevorderen daarom zwaarder mogen laten wegen dan het belang van het enigszins toenemen van de parkeerdruk voor de woning van eisers. De rechtbank ziet ook geen procedurele fouten in de wijze waarop verweerder tot zijn besluit is gekomen.
5. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.