ECLI:NL:RBMNE:2022:5777

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
30 december 2022
Zaaknummer
UTR 22/5472
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking tewerkstellingsvergunning

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de intrekking van hun tewerkstellingsvergunning door het UWV en verzochten om een voorlopige voorziening. Zij stelden dat de intrekking ertoe leidt dat zij per direct geen schoonmaker meer hebben voor hun woning en die van een familielid waarvoor zij mantelzorg verlenen, wat gezien hun drukke leven niet op te vangen is.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat deze omstandigheden niet zodanig zwaarwegend zijn dat sprake is van een spoedeisend belang. Het ongemak dat verzoekers nu zelf de schoonmaak moeten verzorgen of een nieuwe schoonmaker moeten zoeken, vormt geen acuut probleem dat onmiddellijke rechterlijke interventie vereist. Bovendien zou de vergunning zonder intrekking al op 9 januari 2023 verlopen, waardoor de gevolgen in tijd beperkt zijn.

Ook het financiële belang van doorbetaling van loon zonder werkzaamheden weegt niet zwaar genoeg. Er is geen aanwijzing dat het besluit evident onrechtmatig is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de tewerkstellingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5472

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2022 in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers

en

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 24 november 2022 (het besluit) heeft verweerder de aan verzoekers verleende tewerkstellingsvergunning ten behoeve van [naam 1] ingetrokken.
Verzoekers hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoekers hebben aangevoerd dat de intrekking van de tewerkstellingsvergunning betekent dat zij per direct geen schoonmaker meer hebben voor hun eigen woning en voor de woning van de vader van [naam 2] , waarvoor zij mantelzorg verlenen. Dit is naast hun drukke banen en een gezin niet op te vangen.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voornoemde omstandigheden niet maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek. De omstandigheden zijn niet zodanig zwaarwegend dat de voorzieningenrechter op dit moment zou moeten ingrijpen in de gevolgen van het besluit. Dat verzoekers nu zelf hun woning en de woning van de vader van [naam 2] moeten schoonmaken en/of op zoek moeten naar een andere schoonmaker, levert wellicht ongemak op, maar op grond van hetgeen verzoekers hebben gesteld is dit niet aan te merken als een acuut probleem waardoor verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kunnen afwachten. De voorzieningenrechter neemt hierbij in overweging dat de intrekking ziet op een tewerkstellingsvergunning [Tewerkstellingvergunning nummer] waarvan de geldigheid ook zonder intrekking reeds op 9 januari 2023 zou verlopen zodat de gevolgen ook in tijdsduur beperkt zijn. De gevolgen zijn al met al onvoldoende acuut en onvoldoende zwaarwegend om een voorziening te treffen. Dit geldt ook voor het gestelde financiële belang, wat betreft de door verzoekers gestelde doorbetaling van loon, terwijl daar geen werkzaamheden tegenover staan.
4. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verder volgt uit wat is aangevoerd en het dossier van verweerder niet op voorhand dat het besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)