ECLI:NL:RBMNE:2022:5777
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking tewerkstellingsvergunning
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de intrekking van hun tewerkstellingsvergunning door het UWV en verzochten om een voorlopige voorziening. Zij stelden dat de intrekking ertoe leidt dat zij per direct geen schoonmaker meer hebben voor hun woning en die van een familielid waarvoor zij mantelzorg verlenen, wat gezien hun drukke leven niet op te vangen is.
De voorzieningenrechter oordeelt echter dat deze omstandigheden niet zodanig zwaarwegend zijn dat sprake is van een spoedeisend belang. Het ongemak dat verzoekers nu zelf de schoonmaak moeten verzorgen of een nieuwe schoonmaker moeten zoeken, vormt geen acuut probleem dat onmiddellijke rechterlijke interventie vereist. Bovendien zou de vergunning zonder intrekking al op 9 januari 2023 verlopen, waardoor de gevolgen in tijd beperkt zijn.
Ook het financiële belang van doorbetaling van loon zonder werkzaamheden weegt niet zwaar genoeg. Er is geen aanwijzing dat het besluit evident onrechtmatig is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de tewerkstellingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.