Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:5873

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
5 januari 2023
Zaaknummer
1022880022
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder C OpiumwetArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens aanwezigheid van 18,1 gram hasjiesj in combinatie met PIJ-maatregel

Op 30 augustus 2022 werd verdachte betrapt op het aanwezig hebben van 18,1 gram hasjiesj in een woning te een vestigingsplaats binnen een gemeente in een verblijfplaats. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 november 2022 uitspraak gedaan over deze zaak na een zitting achter gesloten deuren op 11 november 2022.

De rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, proces-verbaal van aangifte en bevindingen van de politie. Verdachte heeft het feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of verdachte uitsluiten.

De officier van justitie vorderde een schuldverklaring zonder strafoplegging omdat verdachte reeds een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd had gekregen in een andere zaak. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat het opleggen van een straf of maatregel in deze zaak geen redelijk doel meer dient. Daarom werd verdachte schuldig verklaard, maar werd geen straf of maatregel opgelegd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden. De uitspraak werd gewezen door voorzitter P.M. Leijten en kinderrechter H.F. Koenis, waarbij kinderrechter N.M.H. van Ek niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: Verdachte werd schuldig verklaard voor het aanwezig hebben van 18,1 gram hasjiesj, maar kreeg geen straf of maatregel opgelegd vanwege een reeds opgelegde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 10/228800-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 25 november 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd te [verblijfplaats] ,
[adres] , [vestigingsplaats] ,
(hierna: verdachte).

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 11 november 2022.
De zaak is gelijktijdig - maar niet gevoegd - ter terechtzitting behandeld met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 16/049072-22.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.E. Lohuis en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 augustus 2022 te [vestigingsplaats] (in de [verblijfplaats] ) 18,1 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 november 2022;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens de [verblijfplaats] , van 10 september 2022, genummerd PL1700-2022282518-2, opgemaakt door de politie Eenheid Rotterdam;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , van 30 september 2022, genummerd PL1700-2022282518-4, opgemaakt door de politie Eenheid Rotterdam, houdende de bevindingen van voornoemde verbalisant.

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 30 augustus 2022 te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] in [verblijfplaats] , aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 18,1 gram van een gebruikelijk vast mengsel van
hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.SCHULDIGVERKLARING ZONDER OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, omdat zij in de zaak tegen verdachte onder parketnummer 16/049072-22 de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel heeft gevorderd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 18,1 gram hasjiesj. Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de bij uitspraak van 25 november 2022 opgelegde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel geen redelijk doel meer dient en zal verdachte daarom, op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel opleggen in de onderhavige zaak.

9.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Geen straf of maatregel
- bepaalt dat ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Leijten, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.M.H. van Ek en H.F. Koenis, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Steijns, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 november 2022.
Mr. N.M.H. van Ek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 augustus 2022 te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] in [verblijfplaats] , heeft aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 18,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van
hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet )