Op 13 april 2022 heeft verdachte samen met een onbekend gebleven mededader geprobeerd in te breken in een woning aan de [Straat 1] te Utrecht. Dit werd ontdekt door een buurman die 112 belde en de politie inschakelde. Diverse verbalisanten zagen verdachte met een breekijzer over de schutting klimmen en wegrennen. Verdachte werd kort daarna aangehouden met het breekijzer in de buurt.
Verdachte ontkende betrokkenheid en gaf een alternatieve verklaring, maar de rechtbank achtte deze niet aannemelijk vanwege het ontbreken van bewijs en de overeenstemming van signalementen. Forensisch onderzoek toonde sporen van een breekvoorwerp aan het raamkozijn van de woning.
De rechtbank concludeerde dat verdachte en een mededader een poging tot woninginbraak hebben gepleegd met het oogmerk goederen te stelen, maar dat het misdrijf niet is voltooid door het optreden van de politie. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot woninginbraak.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder ADHD en een blanco strafblad, en het advies van de reclassering. De rechtbank wees toepassing van het adolescentenstrafrecht af en legde een taakstraf van 160 uren op zonder voorwaardelijk deel. Het in beslag genomen breekijzer werd verbeurd verklaard.