ECLI:NL:RBMNE:2022:5882
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing huisvestingsvergunning voor bewoning ouderlijk huis na verhuizing moeder
Eiser vroeg een huisvestingsvergunning aan om in het ouderlijk huis te blijven wonen nadat zijn moeder, de huurder, was verhuisd via de regeling ‘Van groot naar klein’. De gemeente wees de aanvraag af, en bij bezwaar bleef het besluit in stand. Eiser stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen beroep kon doen op het vertrouwensbeginsel, omdat er geen toezegging was gedaan dat hij een vergunning zou krijgen. De Huisvestingsverordening regio Utrecht 2019, waaronder het besluit viel, werd getoetst aan de Huisvestingswet en het evenredigheidsbeginsel, en werd niet in strijd bevonden.
Eiser voldeed niet aan de voorwaarde dat hij een woning toegewezen moest krijgen via het systeem met voorrangsregels, omdat hij geen huurcontract had en de woning niet officieel aan hem was toegewezen. Het beroep op de hardheidsclausule werd voor het eerst in het beroepschrift gedaan en leidde niet tot een afwijking van het besluit.
De rechtbank benadrukte dat de gemeente niet verplicht is om inspanningen te leveren om eiser in het ouderlijk huis te laten wonen en dat artikel 8 EVRM Pro geen recht op woonruimte garandeert. Het ontbreken van een beroepsclausule in het besluit was niet doorslaggevend omdat eiser tijdig beroep had ingesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de huisvestingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.